‘Ook de laatste weervissers van Nederland zullen spoedig afscheid moeten nemen van de zee’

Nog één Nederlandse familie vangt in de Oosterschelde volgens de oeroude techniek van het weervissen ansjovis, de delicatesse van Bergen op Zoom. Maar hoelang nog? De import uit de Middellandse Zee rukt op.

Aan de oever van de Oosterschelde zitten de mensen in de blakende zon. Geoliede buiken, schuine parasolletjes, strandstoeltjes op het gras. Het water schittert en weerkaatst bijna spiegelglad de lucht. Het is een luie dag. Maar even verderop, in de kleine haven aan de Bergsediepsluis, is beweging. Met een stapel gekleurde plastic kratten loopt Corné van Dort (54) uit Bergen op Zoom de bootsteiger af, naar ligplaats nummer 25. Daar ligt een zilverkleurige boot met een platte buik. ‘Een vissersvletje’, zegt Van Dort. ‘Speciaal om het laagwater mee in te gaan.’

Foto de Volkskrant

In het begin van de vorige eeuw had nog een tiental families hun visserijen in de Oosterschelde. Nu zijn de Van Dorts de laatste weervissers van Nederland en misschien zelfs de laatste ansjovisweervissers van de wereld. De Oesterdam bemoeilijkt de trek van de ansjovis naar de Oosterschelde en de import uit het Middellandse Zeegebied neemt toe. De eeuwenoude methode van het weervissen kan niet opboksen tegen modernere technieken die daar en elders toegepast worden. Vader Van Dort is al 85 en gaat alleen nog met goed weer het water op. En ook Van Dort en diens schoonbroer, Henk van Schilt (55), met wie hij de visserijen beheert, zullen de zee over een aantal jaar gedag zeggen.

Vooralsnog werken ze het hele jaar rond om hun, vooral Bergse, klanten te voorzien. In de winter kappen de mannen hout in het Brabantse landschap voor de weren (houten bouwwerken die de vis in een fuik leiden), die ze in de lente in het water opzetten. In het visseizoen, dat eind april begint en tien weken duurt, varen ze tweemaal daags met hoogwater uit. ‘Soms komen we met lege handen terug’, zegt Van Dort. ‘Soms slepen we duizend kilo op een dag binnen. De ansjovis is onvoorspelbaar. Maar wat moeten wij anders? Dit is alles wat wij kennen.’

Weervissers Corné en Henk uit Bergen op Zoom vissen op Ansjovis in de Oosterschelde. Foto Simon Lenskens

De Ansjovisweren

Zodra we het havenhoofd passeren, zien we, omringd door hittemist, de ansjovisweren opdoemen in de verte. Drie langwerpige bouwstructuren van smalle boomstammen die zachtjes heen en weer deinen in het water. Als een ondergelopen jong bos zonder kruinen. De aanblik doet nog het meest denken aan een traditionele visserij, zoals deze in Zuidoost-Azië (waar ze ansjovis overigens gebruiken voor het maken van visolie) er vaak nog uitzien.

De weer bestaat uit een fuik en twee armen, ofwel vleuken. Opgebouwd uit wel vijfduizend boomstammen van 4 à 5 meter hoog. Hoewel deze in principe meerdere jaren meekunnen, vragen herfst- en winterstormen elk jaar om onderhoudswerk. Vijf vrachtwagens vol hout hebben de mannen dit jaar eigenhandig gekapt, het bos uitgesleept en de zeebodem ingestoken. Dat laatste gebeurt met behulp van een zandpomp (naast de dieselmotor en de kettingzaag het enige moderne hulpstuk dat ze gebruiken). Maar enkele decennia geleden gebruikten ze nog een stalen pin.

De armen kunnen tot wel een kilometer het water in reiken. De opening ligt op de laagste plaats – meestal een zandbank – en de fuik in het diepste water. Met hoogwater zoekt de ansjovis het ondiepe, warmere water tussen de vleuken op. Met eb zwemt hij terug richting het diepe; in de geopende armen van het noodlot. Hoewel het weerhout ver genoeg uit elkaar staat voor de ansjovis om erdoorheen te kunnen zwemmen, schrikt de beweging van het hout de vis af en weert dit hem ervan om nog aan zijn val te ontsnappen. De stroming en het ontwerp van de fuik zorgen er uiteindelijk voor dat de vis, eenmaal in de fuik aangekomen, niet meer terug kan.

LS_Volkskrant_S085_20180508_0065

Corné van Dort en Henk van Schilt bij de (vandaag teleurstellende) vangst. Foto Simon Lenskens

Voor elk van de drie weren dobbert een boot. Bij de middelste is Van Dorts schoonbroer Henk van Schilt ons, zittend in de schaduw van de kajuit, op aan het wachten. Het is rond een uur ’s middags wanneer we bij hem aankomen en het zal nog zeker een uur duren voor het water laag genoeg is om de vis uit de fuik te halen. Toch ligt Van Schilt hier al sinds half tien vanmorgen voor anker. Dikke lagen zeewier glimmen aan de weer. Verderop vaart een oude driemaster en daarachter zwaait een groep windmolens hun wieken sloom door de lucht.

Op een van de palen zit een visdiefje. Luid krijsend verkondigt ze haar baltsroep. ‘Die wacht tot het mannetje haar iets te eten brengt’, legt Van Schilt uit terwijl hij zich ophijst aan de bootreling. ‘Maar die visdiefkes zijn niet ons grootste euvel. Dat is de aalscholver. Als wij er niet van ’s morgens vroeg bij zitten, eet die onze hele fuik leeg.’

Portret van Henk van Schilt. Foto Simon Lenskens

Een gewilde delicatesse

Ansjovis – vers gebakken, gezouten, zo uit het vuistje, op een witte bol of naast de friet – is een delicatesse in Bergen op Zoom. ‘Een van de 3 AAA’s’, merkt Van Dort op. ‘Ansjovis, Asperge, Aardbei. Daar komen de mensen voor naar Bergen.’ Alle Bergse restaurants kopen bij hem in. Soms zijn ze door de grote vraag genoodzaakt om geïmporteerde ansjovis in te kopen die uit het Middellandse Zeegebied komt en ook in de meeste supermarkten ligt. Van Dort: ‘Maar daar zijn ze huiverig voor. Die vis heeft al meer dan een dag gelegen. Onze vis is vers. Dat is ons geluk.’

Tot tien jaar geleden hadden de vissers nog geen last van de aalscholvers en voeren ze gewoon uit wanneer het tijd was om de fuiken leeg te halen. Als er al ongewenste mee-eters waren, werden die gewoon afgeschoten. Maar sinds de Oosterschelde een beschermd natuurgebied is en er niet meer op vogels gejaagd mag worden, is het aantal aalscholvers explosief gestegen. De vissers komen om vijf uur ’s morgens vaak pas thuis van de eerste tocht. Om half tien moeten ze het water weer op. Van Schilt: ‘Het merendeel van onze werkdag bestaat nu uit vogelverschrikker spelen. Met het zonneke erbij is het fijn in de tuinstoel aan boord te zitten. Windkracht zes of zeven is een ander verhaal.’

Corné van Dort en Henk van Schilt bij de (vandaag teleurstellende) vangst. Foto Simon Lenskens

Even later overstemt het geluid van de motor zijn woorden. Het water is nu iets meer dan een meter hoog. Met de grote boot varen we weg van de fuik om met het vissersvletje terug te keren. De mannen en twee vrijwilligers van Stichting Behoud Weervisserij hijsen zich in rubberen broeken die tot aan hun zongebruinde borst reiken en laten zich het water in zakken. Stilzwijgend voeren zij hun dagelijks ritueel uit. Een kleine fuik wordt aan de opening van de weer vastgezet. Met een groot net wordt de vangst erin gesleept. Glinstering van kleine visjes. Het spartelen van een paar gepen die in het net verstrikt raken.

Van Schilt gooit de fuik leeg op het dek, dat op goede dagen bedekt wordt met een decimeters hoog krioelend tapijt van ansjovis. Sprot, grote glibberige kwallen, kleine kwallen als glazen knikkertjes, krabben en een paar gepen. Geen enkele ansjovis. De vrouw van Van Schilt, die net als alle Van Dort-vrouwen voor haar de viswinkel bestiert, zal de klanten vandaag moeten teleurstellen. ‘Soms staan ze al voor zonsopgang op de stoep’, zegt Van Schilt. Hij werpt alle zeedieren, behalve de drie gepen, weer overboord en haalt zijn schouders op: ‘Misschien morgen weer.’

OUDER DAN DE WEG NAAR ROME

Al meer dan honderd jaar vist de familie Van Dort op ansjovis. Ze zijn weervissers: een ambachtelijke manier van vissen die ouder is dan de weg naar Rome. De oudste archeologische vondsten die duiden op het gebruik van deze techniek dateren uit het mesolithicum (tussen ca. 10.500 v.Chr. en ca. 11.000 v.Chr.). In de buurt van Bergen op Zoom wordt er sinds de 16de eeuw op ansjovis gevist, nadat de St. Felixvloed van 5 november 1530 grote delen van het landschap onder de golven had bedolven. De handel in het West-Brabantse plaatsje had eronder te lijden, maar het ‘verdronken land van het markizaat Bergen op Zoom’ werd een ideale paaiplaats voor de kleine ansjovis. Doordat het visje bestand is tegen grote zoutverschillen, strekt zijn leefgebied zich uit van de Indische Oceaan, de Zwarte Zee en de Middellandse Zee tot aan de Nederlandse kustwateren.

Advertisements

Een kwispelende kantoorgenoot zorgt voor socialere collega’s, minder stress en meer geluk

De kwispelende kantoorgenoot

Chapstick is een Portugese waterhond.Simon Lenskens

Voor de meeste mensen bestaat het kantoorleven niet uit louter hoogtepunten. Met een dier erbij kan het een stuk draaglijker worden. Kom, Chapstick, we gaan met de afdeling even een blokje om!

Op een grauwe werkdag versmelt kantorenpark Rivium in Capelle aan den IJssel met de grijze lucht. Tussen de betonnen kantoortorens rijden computergestuurde busjes. Plots dartelt een kwispelstaartende hond met een halsband van felgekleurde Hawaiibloemen de hoek om.

Kantoorhond Chapstick is bezig aan zijn derde uitlaatronde van de dag. Achter hem lopen vier van zijn baasjes, Monique Weijers, Jan Willem de Heer, Nancy Brouwer en Maarten Reijalt. Terwijl Chapstick de grasperkjes besnuffelt, bespreken de vier collega’s van farmaceutisch bedrijf Pfizer kantoor- en privézaken met elkaar. ‘Soms sturen we collega’s die onenigheid hebben even een rondje om met de hond,’ zegt Brouwer. ‘Dan zeggen we: neem Chapstick maar even mee en als jullie terug zijn is de ruzie uitgepraat.’

Kantoorhond Wifi bij Tijgerbloed tekstschrijvers in Amstelveen.Simon Lenskens

Chapstick woont al vierenhalf jaar bij Pfizer. Zes jaar geleden besloten de medewerkers van de afdeling consumentengezondheidszorg samen een hond te nemen. ‘Een kantoorhond leidt tot een verbeterde werksfeer en tot een lager ziekteverzuim, blijkt uit onderzoek’, zegt Reijalt. ‘Op onze afdeling was iedereen direct enthousiast, maar het nemen van een hond in zo’n groot, internationaal bedrijf, dat veel regels en procedures kent, had wel wat voeten in de aarde. Het hoofdkantoor in New York moest toestemming geven.’ Lachend: ‘Toen alles rond was, meldde een collega zwaar allergisch te zijn voor honden. Daarom hebben we gekozen voor een Portugese waterhond. Die is hypoallergeen.’

Dat een dier stressverminderend werkt, beaamt Marie-José Enders, bijzonder hoogleraar antrozoölogie aan de Open Universiteit in Heerlen. ‘Het kijken naar een hond verzet de gedachten en geeft een prettig gevoel,’ zegt ze. Ze wijst op een grootschalig wetenschappelijk onderzoek uit 2017 naar honden op de werkvloer. Enders: ‘De resultaten waren overwegend positief.’

Een voorwaarde voor het houden van een kantoordier, dat meerdere baasjes heeft, is dat het beest het naar zijn zin heeft in zijn ongebruikelijke woonomgeving, zegt Enders. ‘Het welzijn van het dier is even belangrijk als het welzijn van de werknemers.’ De werknemers moeten enige kennis hebben van het gedrag van honden en katten. En het kantoordier moet een eigen plekje hebben waar het zich terug kan trekken en niet gestoord wordt.

Enders: ‘Net als mensen vinden ook honden het niet fijn als ze tegen hun wil worden aangeraakt. Als een hond te veel aangehaald wordt, raakt hij gestrest. Hij geeft dan signalen af, zoals likken aan zijn lippen. Maar niet iedereen is bekend met deze lichaamstaal. Uiteindelijk zal de hond dan van zich afbijten. Vergelijk het met een collega die geprikkeld raakt en dan een snauw geeft.’

Hoeveel huisdieren een Nederlands kantoor als habitat hebben, is niet bekend, maar vanwege de praktische bezwaren zullen het er niet veel zijn. Voor kleine bedrijven is het gemakkelijker te regelen. Zo is het Hilversumse kantoor van WatMooi, een webshop voor duurzame kleding, sinds zeven jaar het territorium van kantoorkat Martini. De lapjeskat kwam dertien jaar geleden aangelopen bij het huis van Joke Bom, de oprichter van de webwinkel.

Chapstick, de kantoorhond bij Pfizer in Capelle aan den IJssel.Simon Lenskens

‘Ze was heel schrikachtig en aanhankelijk’, herinnert de Hilversumse zich. ‘Dat ik haar elke ochtend alleen thuis liet, vond ze erg vervelend. Daarom besloot ik haar mee te nemen naar kantoor.’ De sfeer op het werk is merkbaar veranderd. De poes heeft relativerende invloed, zegt Bom. ‘Om de zoveel tijd komt ze op je toetsenbord liggen of vraagt ze op een andere manier aandacht. Tussendoor even knuffelen maakt ons allemaal meer zen.’

De aanwezigheid van de kat maakt ook het contact met klanten persoonlijker. Bom: ‘Je hebt altijd een leuk gespreksonderwerp voorhanden. Met klanten heb ik het nu vaak over hun eigen huisdieren.’ Natuurlijk haalt Martini het nodige kattenkwaad uit. Daarmee zorgt ze ook nog voor een komische noot. Aan de lunchtafel eet ze stiekem mee van de humus en de slagroomtaart.

Linda Botter neemt geregeld een hond mee naar Maison PR, het pr-bureau dat ze in Amsterdam runt. Toen Botter vijf jaar geleden zag hoe slecht honden in Bulgarije werden behandeld, besloot ze een ‘Bulgaar’ te adopteren. Inmiddels hebben drie viervoeters een beter leven gekregen in haar boerderijtje aan de rand van Amsterdam. Haar vijftien werknemers vinden het geweldig als ze een hond meeneemt naar kantoor, aldus Botter. ‘Ze staan in de rij om de honden tussen de middag uit te laten. Een van de pluspunten van een kantoorhond is dat je een goed excuus hebt om even een blokje om te gaan en een frisse neus te halen.’

Ook de kantoorhond kan profiteren van alle aandacht op de werkplek, weet Bonne Beerda, onderzoeker bij de leerstoel gedragsecologie aan de Wageningen Universiteit. Goed contact met mensen heeft ook een positief effect op een hond, zegt Beerda. ‘Wanneer honden en mensen met elkaar in contact komen en elkaar in de ogen kijken, stijgt bij beide het niveau van het gelukshormoon oxytocine. Terwijl de bloeddruk en het niveau van het stresshormoon cortisol afnemen bij fysiek contact. Bij mensen daalt de bloeddruk vooral als hun hond bij hen is terwijl ze bezig zijn met veeleisende taken.’

Is het kantoorhond-experiment bij Pfizer een succes? Reijalt vindt van wel. De band met collega’s voelt hechter. Weijers voegt daaraan toe: ‘Collega’s die wat afstandelijk lijken, worden met Chappie in de buurt opeens open en sociaal. Je gaat dan zelf ook anders met zo iemand om. Zo leer je die persoon beter kennen.’

Hoewel de hele afdeling zich over Chapstick ontfermt, is Monique Weijers de échte baas met wie de hond ’s avonds naar huis gaat. ‘Een hond moet een baas hebben,’ zegt ze. ‘Toen het idee op tafel kwam om een kantoorhond te nemen, heb ik mezelf voor die rol aangeboden. Eigenlijk wilde ik altijd al een hond, maar ik nam er geen omdat ik voltijds werk. Als ik op vakantie ben, logeert Chapstick bij Nancy en blijft hij gewoon naar kantoor gaan.’

Reijalt, grappend: ‘Hij is onze beste collega, maar hij krijgt geen vakantiedagen en geen salaris.’

Nederlands succes in kraamkamer van Afrikaanse tech-industrie Silicon Savannah

Ict-bedrijf werft talentvolle Kenianen in eigen land voor Europese bedrijven

Sebastiaan Tan (links) en Vincent Wijdeveld (rechts) met werknemers in hun kantoor in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.Sven Torfinn

Het is een win-winsituatie: twee Nederlanders bieden jonge, gedreven Kenianen een baan en leerschool in de ict door hen te koppelen aan Europese bedrijven die extra (goedkope) handjes kunnen gebruiken.

Het is lunchtijd in Nairobi. De Nederlandse oprichters van ict-uitbestedingsbedrijf Caspar Coding, Sebastiaan Tan en Vincent Wijdeveld, zitten in hun nieuwe kantoor in de Keniaanse hoofdstad. Hoewel de mensen in sloppenwijk Kibera, een paar kilometer verderop, van minder dan een dollar per dag moeten rondkomen, zijn de boterhammen van hun werknemers aanzienlijk dikker belegd. In het gebied dat zich langs de Ngong Road uitstrekt, tussen winkelcentrum The Junction Mall en Nairobi Hospital, wordt gemiddeld 2.000 dollar (1.625 euro) per maand verdiend. Dit is de kraamkamer van de Afrikaanse tech-industrie: de Silicon Savannah.

In de toekomstplannen van de eerste coalitieregering van Kenia, die in 2007 werd gevormd, was een bloeiende tech-industrie één van de pijlers. Sindsdien is de Afrikaanse tech-industrie inderdaad aldoor aan het groeien, met de Keniaanse hoofdstad als epicentrum. ‘Veel jongeren leren zichzelf en elkaar coderen op derde- of vierdehands laptops’, zegt Tan. ‘Terwijl ze in één van de nieuwe, hippe cafés een hele dag op een kopje koffie teren, bekijken ze YouTubevideo’s en lezen ze handleidingen. Mocht je dus iets van grote impact voor de jongeren hier willen doen, stuur dan je oude laptop op naar Nairobi. Een jongere hier kan daar zijn of haar hele toekomst op bouwen.’ De jonge ict’ers zijn volgens Tan fanatiek en niet enkel gedreven door een behoefte om carrière te maken. Veelal hopen ze hun opgedane vaardigheden en kennis uiteindelijk in te kunnen zetten bij het oplossen van problemen in de eigen regio.

Sebastiaan Tan en Vincent Wijdeveld, oprichters van Caspar Coding.Sven Torfinn

Succesvolle app

Keniaanse jongeren ontwikkelden eerder bijvoorbeeld de succesvolle app Ushahidi (‘getuige’ in Swahili), waarmee burgers ongeregeldheden tijdens lokale verkiezingen kunnen melden door middel van crowdsourcing (een vorm van publieksraadpleging waarbij aanspraak wordt gemaakt op een grote groep individuen voor bijvoorbeeld beleidsvorming of onderzoek). Ook werd in Nairobi Flare ontwikkeld, een app waarmee ziekenhuizen en burgers de dichtstbijzijnde ambulance kunnen bestellen. Een soort Uber dus voor ambulances, die de levensbedreigend lange wachttijden voor een ziekenwagen in Kenia moet terugdringen. De Nairobi Innovation Week trok dit jaar tussen 5 en 9 maart meer dan 4.000 bezoekers en meerdere grote, potentiële investeerders, waaronder Unicef en het Finse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Toen Tan in 2014 als digitale nomade de wereld over reisde en daarbij veel ontwikkelingslanden en ngo’s bezocht, kwam hij in Nairobi terecht. ‘Wat ik opmerkelijk vond, was dat meer dan de helft van de mensen jonger was dan 25’, herinnert hij zich. ‘De overheid stimuleerde hen echter vooral om voor traditionele beroepen te leren – beroepen die over tien jaar geautomatiseerd zullen zijn. Dat vond ik zonde.’

In september 2017 keerde Tan terug naar Nairobi, waar hij een totaal andere wereld aantrof dan in 2014. Overal waren jongeren zichzelf aan het ontwikkelen op technologisch gebied. In de stad schoten tech- en start-up-hubs als paddenstoelen uit de grond. Tan was zelf al eerder betrokken bij softwarebedrijven en heeft in Nederland het platform Temper opgezet, een marktplaats voor freelancers in de horeca. Tan: ‘Bij Temper werkten we met webdevelopers uit Sri Lanka op een manier die mij goed beviel. Toen ik tijdens mijn tweede bezoek aan Nairobi de ontwikkelingen op technologisch gebied zag, vielen de puzzelstukjes voor mij in elkaar en was het idee voor Caspar Coding geboren.’ Wijdeveld, die al een tijd werkzaam was in de start-upindustrie van Berlijn, Amsterdam en Londen, leerde Tan kennen via diens broer, die Caspar heet. Drie maanden geleden zetten ze de eerste stappen in het concreet maken van hun plannen en inmiddels werken er al negen jonge Kenianen op hun kantoor in Nairobi.

Er werken inmiddels negen Kenianen bij Caspar Coding en het bedrijf heeft al klanten uit Berlijn, Londen en Amsterdam.Sven Torfinn

Op afstand

Caspar Coding werft talentvolle Afrikaanse ict’ers en koppelt hen aan een Europees bedrijf. In de eerste drie maanden hebben zich al klanten uit Berlijn, Londen en Amsterdam gemeld, waaronder fitness-app Gritspot, vergelijkingswebsite voor dentale producten Dentco en de humanitaire hulp-app Voice for Good. ‘De programmeurs werken op afstand mee met het team in Europa’, legt Wijdeveld uit. ‘Het is niet de bedoeling dat bedrijven alleen de rotklusjes aan de Kenianen uitbesteden. Hier werken intelligente, jonge mensen die graag met processen meedenken en oplossingen aandragen. Elke ochtend en middag bellen ze met hun Europese team om de dagtaken en progressie te bespreken. Ze zijn een volwaardig teamlid. Regelmatig horen we ze schaterlachend aan de lijn hangen.’

Mats van Uden van Dentco vindt het een betrouwbaar gevoel dat zijn nieuwe ict ’er bij twee Nederlandse jongens op kantoor zit. ‘We hadden ook zelf iemand in de Filipijnen kunnen zoeken, maar dan heb je diezelfde controle niet. Nu werkt Kevin veertig uur per week voor ons vanaf het kantoor in Nairobi. Het klinkt misschien een beetje lomp, maar hij doet alles wat we vragen. Naast dat het goedkoop is (het maandsalaris van Kevin komt overeen met wat een ict’er van zijn niveau in Nederland voor drie dagen werk kan vragen) is het fijn om te weten dat je de hoogste prioriteit van iemand bent. Als je werkt met een ict-bureau in Nederland, gaan alle belangrijkere klanten altijd voor.’

De meeste Keniaanse ict’ers zijn autodidact, maar er zitten ook jongens tussen die een officiële opleiding hebben genoten. ‘Bij ons zitten ook twee meisjes trouwens’, voegt Tan toe. ‘Maar daar hebben we wel speciaal op moeten selecteren.’

De ict-uitbestedingsmarkt in Afrika groeit hard, net als de Afrikaanse techmarkt in het algemeen. Een onderzoek van het Britse marktonderzoeksbureau Technavio voorspelt dat deze markt jaarlijks gemiddeld 7 procent zal groeien tussen 2016 en 2020. De vraag in Europa naar ervaren ict’ers is volgens Wijdeveld te groot om lokaal aan te beantwoorden. Tim Toornvliet, communicatiemanager van belangenbehartiger Nederland ICT, beaamt dat Europese ict-bedrijven al jaren met een grote schaarste aan werknemers kampen. ‘Bedrijven staan te springen om mensen met de juiste vaardigheden. Eén van de oplossingen is dan om over de grens te kijken’, zegt Toornvliet. ‘Het maakt voor veel werkgevers niet uit of een programmeur in Amsterdam zit, in Warschau of Nairobi. De ontwikkeling verbaast ons niet. Of er sprake is van een trend kunnen we niet zeggen.’

Tan en Wijdeveld voelen zich pioniers. Hun voorbeeld is de Amerikaanse start-up Andela, die sinds 2014 actief is in de Nigeriaanse stad Lagos. De Afrikaanse ict-ontwikkelaars die via het in New York gevestigde Andela aan de bak komen, worden intern opgeleid. Tijdens de opleiding van zes maanden krijgen ze een eigen MacBook, een gesubsidieerde woonruimte en twee maaltijden per dag. Op afstand werken ze voor onder andere Mastercard en Viacom. Een van Andela’s grootste investeerders is Facebookoprichter Mark Zuckerberg.

Vincent Wijdeveld: ‘Het zou mooi zijn als onze mensen hun opgedane ervaring uiteindelijk kunnen toepassen in een eigen bedrijf waarmee ze de lokale economie stimuleren.’Sven Torfinn

Hersenemigratie

Maken Andela en Caspar Coding zich dan niet schuldig aan het in de hand werken van een grote hersenemigratie van talentvolle Afrikanen, die anders iets zouden kunnen betekenen voor eigen land? ‘Wij hopen dat het werken voor Europese bedrijven vooral een leerschool zal zijn voor onze ict-talenten’, zegt Tan. Hoewel veel ict’ers in Nairobi aanbiedingen krijgen om naar Europa te verhuizen, merkt het ondernemersduo dat de meesten liever in Afrika blijven. Andela heeft een begeleidingsprogramma voor jonge bedrijfjes die de Nigeriaanse alumni van Andela zelf opzetten. Iets dat Tan en Wijdeveld ook van plan zijn te faciliteren voor hun Afrikaanse ontwikkelaars. Wijdeveld: ‘Hier gebeurt het. Dat voelen ze. Het zou mooi zijn als onze mensen hun opgedane ervaring uiteindelijk kunnen toepassen in een eigen bedrijf waarmee ze de lokale economie stimuleren.’

Estland: Een wereld apart

Estland Een wereld apart
National Geographic Traveler NL 2018/1, 08/03/2018

Een reis langs de eilanden voor de kust van Estland
Tekst: Anna Lillioja

‘Om half elf in de haven, klopt dat?’ Aan de andere kant van de lijn blijft het stil. ‘Mijnheer Hiiuväin?’ probeer ik nogmaals terwijl ik mijn huurauto over een slingerende bosweg manoeuvreer. Gekraak. En dan, na een poos, alsof hij allang aan het knikken was maar gewoonweg vergat te spreken, een korte ‘ja’. Estse mannen zijn geen mannen van veel woorden, en hier op de eilanden lijkt dat nog sterker het geval. Ze hebben verweerde gezichten waarop zich een diepe geruststelling tekent. Een glimlach en een paar woorden, meer hoeft niet gezegd.

Ik ben in Estland, opweg naar Papissaare, de haven van waaruit het kleine natuurgebiedeiland Vilsandi te bereiken is – habitat van zeehonden, 250 soorten vogels en 30 soorten orchideeën. Voor de kustlijn van Estland liggen 2222 eilanden. Van jongsaf kom ik er. In mijn herinnering is het een lange midzomernacht, waarin wij als kinderen op onze knieën in het lange gras zochten naar glimworpjes terwijl onze ouders dansten op Mr. Vain van Culture Beat. We vingen kreeften in beekjes en zagen vossen en elanden in de verte. Het waren de jaren ’90 en Estland was net vrij. Dit jaar viert het land zijn 100ste verjaardag en ga ik op reis langs zes van de eilanden: Muhu, Saaremaa, Vilsandi, Viirelaid, Kesselaid en Hiiumaa.

Estland is 700 jaar achtereen bezet geweest, door de Russen, Denen, Zweden en Duitsers. Toch heeft het ook zijn eigen tradities en taal weten te behouden. Esten zijn hier trots op. Ze houden van mythen, sprookjes en tradities. In de keuken vind je naast Russische borsj en Scandinavische visgerechten veel lokale producten die tot verrassende gerechten zijn gemaakt. Hertenbiefstuk met bosbessenblaadjes, eekhoorntjesbroodrisotto. Broodsoep met kruisbessen als toetje. Of een pasta met daslook, een plantje dat in de vroege lente groeit en waarmee beren hun organisme reinigen na een lange winterslaap. Veruit de populairste vis is de schol.

De autorit naar de haven voert tussen hagen van pijnbomen en licht glooiende velden in groen en geel. Oude huizen lijken in het landschap te zijn gezakt. In de schoorstenen vind je soms een ooievaarsnest. Om de zoveel tijd staat er een bushalte in het niets of slingert er een eenzame fietser aan de bosrand. Twee oude dametjes voeren een gesprek langs de hekken van een boerderij. Op bospaden staan auto’s geparkeerd. Voor de ongeoefende toeschouwer een vreemd gezicht en ook mij doet het nog verbazen. Paddenstoelenplukkers. De precieze locatie van een goede paddenstoelenplek schijnt informatie te zijn die mee wordt genomen in het graf. Toomas Leedu, chef-kok van een van Saaremaa’s beste restaurants, Kuursaal, zal me later toevertrouwen dat je het best een oud vrouwtje het bos in kunt volgen. En hoewel er naast de weg een witgepleisterd kerkje staat, is dat woud het echte altaar van de Est. Meer dan de helft van het land is bedekt met bos. Estland is een van de minst gelovige landen ter wereld, maar bijna 70 procent van de Esten zegt te geloven dat bomen een ziel hebben.

Halverwege onze boottocht zien we drie mensen, tussen het riet, tot hun knieën in het water staan. Een moeder, een vader en een kind, allemaal met een zonnehoedje op. Ze hebben hun broekspijpen opgerold, klemmen deze tegen hun natte dijbenen en lachen naar ons. ‘Die maken de wandeltocht naar het eiland.’ Kapitein Harri Hiiuväin tilt zijn hand naar ze op. ‘Het is een tocht van tien kilometer die je met goed weer kunt ondernemen. Over de kleinere eilandjes en door water dat tot aan je middel kan reiken. Je moet wel goed voorbereid zijn. De zon brandt op je hoofd, slippers worden kapot getrokken. Het is eigenlijk een extreme sport.’ Hij lacht. ‘Maar wanneer je lopend aankomt zie je ons gele huis al van ver tussen de jeneverbesstruiken staan.’

Op Vilsandi wonen maar drie mensen het hele jaar door. Enkel het geluid van vogels en de wind is te horen. Af en toe in de verte een schaap. Er staat een weerstation, waar de schoonste lucht van Estland is gemeten. En een brandweerauto, maar de brandweermannen moeten van het grote eiland komen. In de gloriedagen woonden op het eiland 200 mensen. De meesten vluchtten tijdens de Tweede Wereldoorlog richting Zweden. In kleine vissersbootjes met te veel mensen aan boord.

Het is vrijdag en dat betekent dat de winkelboot vanmiddag komt. Op het eiland zelf is niets te koop. Vroeger waren er nog wel drie kroegen, maar ook die zijn verdwenen. Op de grotere eilanden is er een winkelbus, die eens per week de dorpen langsrijdt. Hier heeft Harri het op zich genomen om bestellingen van de eilanders – in de zomer zijn dat er zo’n dertig – op te halen bij de winkel aan de overkant. In het haventje zitten mensen in groepjes op hem te wachten. Ze bespreken wat ze besteld hebben en een vrouw geeft enigszins beschaamd toe dat ze om tonijn uit blik heeft gevraagd.

Ieder krijgt zijn boodschappen persoonlijk overhandigd. Gevulde Jack Daniels, Pampers en Page-dozen met hun namen erop gestift. Vanachter het havenhuis komt een oude man op een quad aangesneld. Hij draagt een legerpak en een petje. Voorop zijn quad staat een halve liter bier. ‘Viktor,’ zegt Ulvi, de vrouw van Harri, met wie ik naar de haven ben gelopen. ‘Hij was in de jaren ’70 kampbegeleider voor studenten die hier de natuur kwamen bestuderen en heeft een boek over de eilanders geschreven.’

De volgende ochtend fiets ik op een oude Russische damesfiets over zandpaden en boomwortels naar het strand. Het ruikt zoet in het bos, naar de bosbessen die een golvend tapijt onder de bomen vormen. Aan de kust vind ik twee mannen op een bankje. Schijnbaar door niets gestoord, zijn ze evengoed deel van het uitzicht als de boten, de vogels, de stenen en de twee jerrycans benzine die naast hen staan. Ik neem in alle stilte naast ze plaats. We staren samen naar de zee, tot ze zich even later voorstellen als Tarvo en Marko Kullapere. Broers. Een half uur geleden hebben ze de minister-president meegenomen om naar zeehonden te kijken.

Zijn er veel zeehonden te zien, vraag ik. ‘Ze zitten overal,’ antwoordt Tarvo. ‘Heb je nog nooit van de zeehondencam gehoord?’ Hij klikt door wat websites op zijn telefoon en houdt dan het scherm voor mijn ogen op. Een pixelige afbeelding van een kiezelstrand. Ik doe mijn best om me voor te stellen dat een van de grotere stenen een zeehond is. ‘Ach, ze zullen wel ergens anders zitten.’ Tarvo laat zijn telefoon weer in zijn zak glijden. ‘Je zou deze plek eens in maart moeten zien.’ We zitten nog even naast elkaar in stilte. Alles voor ons is zee en groene plukjes eiland. Tarvo grijnst en zegt dat hij het zich niet zou kunnen voorstellen om in Nederland te moeten wonen, tussen al die mensen. Dan voegt Marko toe: ‘Dit land behoort de zeehonden toe. Wij zijn slechts bezoekers.’

Twee weken geleden kwam ik aan op het grootste eiland, Saaremaa. Saaremaa staat onder meer bekend om zijn spa’s, die er vanwege de vondst van minerale modder in de omringende zee sinds begin 19de eeuw gevestigd zijn. In het hoofdstadje Kuressaare vind je de winterverblijven van Duitse graven en hertogen uit tijden van de Duitse overheersing – pastelkleurige houten huizen met grote veranda’s. ’s Zomers verbleven ze in imposante landhuizen, waar heel Estland mee volstaat, en waarvan een deel inmiddels is omgebouwd tot hotel of restaurant.

Saaremaa kom je op via het kleine eiland Muhu, dat er met een dam aan verbonden is. De dorpen op Muhu liggen aan oude wegen die omlijnd zijn met mossige stenen muurtjes. In houten borden zijn de namen van boerderijen gesneden. Aan het einde van een van de wegen komt kookboekauteur Ingrem Raidjõe mij tegemoet lopen in een lange witlinnen jurk en op blote voeten, alsof uit de Middeleeuwen gewandeld, en ik denk; het is waar, de leus die Muhu voor toeristen voert. Een plek waar de tijd stilstaat.

Aan de muren en op de bedden van Ingrem’s vakantieboerderij vind je grote dekens die met de hand geborduurd zijn. Motieven van weelderige klaprozen, madeliefjes, korenbloemen (de nationale bloem van Estland), graankoppen en aardbeien. Het landschap van Estland op een deken. Twee jaar duurt het gemiddeld om een dergelijke traditionele Muhu-deken te maken, vertelt handwerkster Sirje Tüür mij later.

Op Saaremaa bezoek ik het verjaardagsfeest van mijn peettante. Op het gazon van haar tot zomerhuis omgebouwde oude boerderij – een populair fenomeen – sta ik te praten met haar man. ‘Weet je wat je moet opschrijven?’ vraagt hij. ‘Dat het jammer is dat de dronkaards van de winkelstoep verdwenen zijn – daar kreeg je altijd de beste roddels mee. En dat de deuren hier altijd open staan. Hier wordt niets gestolen.’‘Behalve gedroogde vis, maar ook die wordt teruggebracht,’ voegt een andere man er lachend aan toe. Hij vertelt hoe de buurkinderen bij hem op visroof waren geweest. De volgende dag kwamen ze verontschuldigend met een nieuwe vangst bij hem aankloppen. Hij trekt een van de vissen van de lijn met gedroogde exemplaren die onder de dakrand hangt, zoals ik ze al bij veel boerderijen hier heb zien hangen. ‘Weet je hoe hem schoon moet maken?’ vraagt hij. Hij knijpt de vis open met zijn handen en begint met stevige halen het donkerrode, gedroogde vlees er af te rukken. Het is zout en taai. De Estse beef jerky. ‘Wat nog ontbreekt, is een shot wodka en bier,’ zegt de man en hij verdwijnt richting bar.

Als de mensen van Saaremaa op vakantie gaan, gaan ze naar Hiiumaa. Het eiland is nog mensluwer en de bosrijkste regio van het land. Hiiumaa betekent dan ook het land van het heilige bos. In het Zweeds heette het Dago – eiland van de zon. Omdat de zon vanuit Zweden gezien opkwam boven Hiiumaa. Gisteren zijn we met visser Imre Kivi bij ondergaande zon uitgevaren op de ‘bank van de zeenimfen’; om 150 meter aan visnetten uit te hangen. Dat ondergaan van de zon is hier in de zomer maar kortstondig. In dat paar uren is de lucht een beweeglijk schilderij van strepen licht en donker, waarin je het pad van de zon kunt volgen van west naar oost. Nu heeft de zon nog maar net weer zijn kruin boven de horizon uitgestoken en hangt de mist nog in de boomtoppen, terwijl we een spiegelgladde zee opvaren. Op een weitje naast de kleine haven staan wat Schotse Hooglanders te grazen. Hun gehoornde koppen steken uit boven het riet.

De uiteinden van de visnetten zijn gemarkeerd met zwarte, genummerde boeien. Vroeger was dat anders, vertelt Imre. Toen zag je gekleurde vlaggetjes boven het water uitsteken – bloemen, stippels, vaak gemaakt van oude onderbroeken of de jurken van vissersvrouwen. Hij wijst naar de Kõpu vuurtoren die verderop te zien is. Het is de op drie-na-oudste werkende vuurtoren ter wereld. ‘’s Avonds probeer ik altijd terug te zijn voordat hij aangaat,’ zegt hij. ‘Wanneer mijn vrouw thuis de lichten ziet flikkeren, belt ze mij om te vragen waar ik blijf.’

De vangst van deze hele week is bedoeld voor het scholfestival dat Imre jaarlijks organiseert. Wie maar wil kan meedoen met de visvangstwedstrijd, waarbij het gaat om wie de meeste schol per meter net binnenhaalt. Er wacht een prijs voor het beste gerecht met schol, er zijn visgerelateerde spellen en tot in de kleine uurtjes klinkt muziek. Het is een van de vele kleine en grote zomerse festivals op de eilanden. Van toekomstmuziekfestival Juu Jӓӓb op Muhu, dat internationale artiesten en muziekkenners trekt, tot vissersdagen en straatpicknicks. Van de chique operadagen in Kuressaare tot het Hiiu Folkmuziekfestival en dancefeesten in de ongerepte natuur. De zomer is kort en de winter lang genoeg om bij te slapen, is het credo van de Est.

Op de terugweg naar het vaste land stormt het. Aan dek van de veerboot pak ik mijn tas met souvenirs uit. Handwerkzeep van sneeuwklokjes. Siroop van de sleutelbloem – schijnt lekker bij vlees te zijn. Onderzetters van jeneverbessenhout, die een warme kruidige geur hebben en waaraan je blijft ruiken. Geborduurde Muhu-sloffen, een must-have voor de Est die in tegenstelling tot de Nederlander de schoenen thuis en op bezoek altijd uitdoet. En het boek van Viktor. Ik sla het open en lees het gedicht van dichter en mede-eilander Juhan Saar op de eerste pagina.

 

Een eiland ver in zee

Nog onontdekt

Een eiland ver in zee

Een stukje land, een plek

Een stuk geluk

En stille eenzaamheid

Een stukje rust

Het kleine beetje vrij

Er komen twee kleine meisjes naast me zitten. Ze wijzen naar de andere veerboot die langsvaart en vragen aan hun moeder of die die naar Estland of naar Hiiumaa gaat? Hun moeder lacht, maar geeft ze gelijk: de eilanden zijn een wereld apart.

Per vliegtuig

De hoofdstad van Estland, Tallinn, bereik je met een directe vlucht van ca. 2 uur vanaf Schiphol. Het Estse www.nordica.ee vliegt dagelijks.

Autoverhuur en veerboten

Vanaf Tallinn rijd je binnen twee uur naar de veerboot richting Hiiumaa of Muhu. Wij huurden een auto bij www.sirrent.ee. Een plek op de veerboot boek je via www.praamid.ee. Mocht je een nacht in Tallinn verblijven; het Angleterre hotel in een oude spiritusfabriek ligt tussen alle bezienswaardigheden en bereik je vanaf het vliegveld binnen 15 minuten met de tram.

Meer informatie
Op www.visitestonia.com vind je uitgebreide informatie. Voor avonturiers zijn er duiktrips naar de vele scheepswrakken te boeken www.adventurecenter.ee en kijk op https://www.ev100.ee/en voor het uitgebreide verjaardagsprogramma in 2018. Uniek is het songfestival (Laulupidu).

Overnachten
De mooiste plekken op Muhu zijn Nautse Mihkli of Muhu Veinitalu. Wie echte luxe zoekt kan terecht bij het spahotel Pädaste, in een landhuis tussen de bossen. In Kuressaare slaap je knus in boutique-hotel Ekesparre. Op Vilsandi vind je rust in Zweedse stijl bij Tolli Talu. Kalana Puhkeküla op Hiiumaa bestaat uit kleine bungalowtjes aan het strand. Een van de meest unieke plekken is de vuurtoren-guesthouse op het kleine Viirelaid voor de kust van Muhu, omringd door totale leegte (op 1500 schapen na). Laat eigenaren Priit en Veiko je ook zeker meenemen om te kamperen op het naastgelegen Kesselaid – met drijvende sauna.

(Wild)kamperen
In Estland mag je bijna overal je tent opzetten. In het staatsbos zijn speciale, natuurschone plekken aangewezen. Voorzien van een kampvuurplek, wat picknicktafels en soms ook een huisje om bij noodweer je matje in neer te leggen. Het Staatsbosbeheer zorgt ook voor de voorraad vuurhout. Op de eilanden zijn veel van deze gebieden aan mooie strandjes gelegen: www.rmk.ee

Culinair
Kuressaare Kuursaal, in de vroegere danszaal van de Duitse adel. Bij wijnboerderij Muhu Veinitalu wekelijks een bijzonder diner: lam die een etmaal in een kuil is gestoofd. Met volle maan in augustus bij Nautse Mihkli, waar dan traditioneel een diner met muziek in de tuin plaatsvindt. Plaatselijke culinaire gerechten bij Ungru op Hiiumaa. Op vuurtoreneiland Viirelaid verzorgt om de zoveel tijd een andere chef-kok een diner. Maar stop ook zeker bij een simpel cafeetje, voor oma’s aardappelen met schol of vlees.

Met speciale dank aan voor het mogelijk maken van deze reis en voorzien van mooie verhalen voor dit artikel: Kuressaare Kuursaal, Muhu Veinitalu, Nautse Mihkli, Vilsandi Tolli Talu, Kalana Puhkekula, Viirelaid Guesthouse. Sirrent voor de fijne huurauto, Nordica voor de vlucht en MTÜ LÄÄNE-EESTI TURISM en hun projecten Baltacar https://www.facebook.com/ProjectBALTACAR/ en http://www.adventurecenter.ee dat de zeegeschiedenis van de omgeving onderzoekt, vastlegt en reizen organiseert naar bijzondere scheepswrakken. 

Eerste hulp bij fictieve ongelukken

NRC, 14 februari 2018

Slachtoffer spelen Zo’n 2.200 vrijwilligers zetten zich in als slachtoffer bij rampenoefeningen. „Tijdens de brand kwam mijn hand onder de zaag.”

Foto Merlin Daleman 

De avond is gevallen in het Noord-Brabantse Dinteloord. Een smalle dijkweg voert richting zorgboerderij Kakelbont, waarvan de ramen oplichten in een verder pikkedonker weidelandschap. In het bermgras ligt een gestalte. Het blijkt een aangeklede reanimatiepop. Nergens is beweging, maar het is slechts de stilte voor de storm. Nog even en er zal hier een groep van tweeëntwintig EHBO’ers en een brandweerpeloton arriveren voor een grootschalige oefening.

Het scenario: als gevolg van een brand in de keuken, een huis vol rook en de daarop volgende collectieve paniek zijn in het fictieve ongeluk veertien mensen gewond geraakt. Ademhalingsproblemen, hartfalen op een heftruck, afgesneden vingers in de snijmachine, een halfzijdige verlamming op de wc – op de zolder van de boerderij hangt een lijst met gedetailleerde ‘traumabeschrijvingen’.

Aan lange tafels zitten mannen, vrouwen en kinderen met spiegeltjes en grote koffers vol grimemateriaal voor zich. Het zijn de leden van Lotuskring Het Krabbegat uit Bergen op Zoom, een van de 78 ledenkringen van de Landelijke Organisatie Tot Uitbeelding van Slachtoffers. Voor het begin van de oefening hebben zij hun rollen toebedeeld gekregen, de oefeningleider legt het exacte scenario ter plekke uit.

Haarwax, nepbloed en brooddeeg

Verreweg de meeste ‘slachtoffers’ zijn vrijwilligers. „Sommigen van hen zijn zelf werkzaam in de zorg, maar er zitten ook schoonmakers, directeuren en schoolmeesters tussen,” vertelt secretaris van het landelijke bestuur van Lotus Sandra van Poortvliet. Meer dan eens hoorde ze over leden die hun kennis in de praktijk brachten om iemand te helpen. Op het werk, onderweg of thuis. Een van de cursisten voerde bijvoorbeeld laatst succesvol de heimlichgreep uit bij zijn eigen kind, dat zich verslikte.

Tijdens de opleiding, die zo’n 80 lesuren beslaat en maximaal twee jaar duurt, worden de ‘basisletsels’ bestudeerd, vertelt Van Poortvliet. „Zoals een snijwond, een scheurwond of een botbreuk. Na de opleiding zijn er bijscholingsavonden waarin we dieper ingaan op ziektebeelden als een hersenbloeding, dierenbeten en de uitwerking van verschillende drugs. Dat laatste is populair: veel opdrachtgevers vragen erom.”

Op de zolder van de zorgboerderij in Dinteloord heerst opperste concentratie. Met chirurgische precisie brengen de Lotus-leden de verwondingen bij zichzelf aan. Voorhoofdwonden worden met druppels bloed besprenkeld, de boor van een kolomboormachine wordt gemeten aan een opengereten hand.

Jaren geleden ontdekte iemand dat brooddeeg goed werkt om huid en wonden mee te kneden

De meest gebruikte materialen: haarwax, nepbloed, brooddeeg en maïzena. „Het is belangrijk dat de materialen natuurlijk zijn en de huid niet irriteren,” zegt Ineke Hond. Ze wordt maandelijks ingezet als slachtoffer bij trainingen bij de GGD. „We zijn altijd opzoek naar materialen en manieren om het letsel er zo natuurgetrouw mogelijk uit te laten zien. Jaren geleden ontdekte iemand dat brooddeeg goed werkt om huid en wonden mee te kneden. Inmiddels is het een standaardmateriaal, dat elk slachtoffer in zijn koffertje heeft.”

Aan een van de tafels is Angela van Oosterhout uit Sint-Philipsland, in het dagelijks leven activiteitenbegeleider en gehandicaptenverzorger, zichzelf aan het grimeren. Voor haar op tafel ligt een nephand. „Ik was bezig met de zaagmachine, toen de brand uitbrak. In alle paniek kwam mijn hand onder de zaag”, licht ze toe. Ze dept wat witgelig poeder op haar gezicht. „Dat is van de shock.” Ze is dit werk gaan doen uit interesse voor de EHBO, het plezier van het acteren en voor de gezelligheid, zegt ze. Haar tafelgenoten knikken instemmend: het is fijn om elkaar steeds weer te treffen bij een oefening.

Waarheidsgetrouw

In het leerboek van Lotus staan naast voorbeeldfoto’s van gapende nepwonden en met grime beurs gemaakte ledematen, instructies tot het uitbeelden van het bijbehorende ziektebeeld. Het nabootsen van een waarheidsgetrouwe situatie is een van de belangrijkste pijlers van de organisatie, zegt Lotus-bestuurder Van Poortvliet. „Het werk van een Lotusslachtoffer beslaat naast grimeren uit nog twee onderdelen: situatieontwerp en acteren. Zo moet er daadwerkelijk een trap in de ruimte zijn, als iemand van een trap is gevallen. En het slachtoffer moet precies weten wat hem of haar overkomen is.”

Er komt beweging in de groep. De brandweer is onderweg en de slachtoffers begeven zich naar de hun aangewezen plekken. Een man gaat zorgvuldig liggen onderaan een trap, met zijn hielen op de onderste trede en onder zijn rug een isoleerdeken. Het is koud op de boerderij en de deelnemers mogen nooit echt gevaar lopen. Voor het geval er wel iets misgaat, bestaat er het codewoord no play. Is dat wel eens nodig geweest? „Een keer”, herinnert van Poortvliet zich. „Toen er iemand onder een gekanteld voertuig lag en in paniek raakte.”

In de boerderij wurmt een vrouw zich onder een grote houten krat. Drie mensen nemen hun plaats in in de keuken, waar de rookmachine aanstaat en een rood lichtsnoer de vuurbron simuleert. Bij de keukenmachine staat een oudere man. Naast het snijvlak ligt een vinger. De man toont zijn linkerhand, waar daadwerkelijk een vinger aan mist. „Altijd als er iemand met een afgehakte vinger in het scenario staat, speel ik die rol. Lekker gemakkelijk.”

Bij mannen zijn de grappen harder

NRC, 23 november 2017

Kantoorhumor Een gekscherende opmerking op de werkvloer is snel gemaakt. Maar hoe zet je humor goed in, en wanneer gaat een grap te ver?

Foto iStock 

Bij Capability op kantoor hangt een groot scherm, waar grappige foto’s op geplaatst kunnen worden. Een foto van een collega die lijkt op Donald Trump, naast een foto van de (echte) Amerikaanse president. Een plaatje van een bejaarde vrouw met daaronder de tekst ‘#MeToo, please’.

„Je hebt humor nodig om een angstcultuur tegen te gaan”, zegt Titus Kramer, eigenaar van arbo- en verzuimmanagementbedrijf Capability. Toen het #MeToo-debat oplaaide werd hij een beetje nerveus, bang dat het de werkvloer in negatieve zin zou raken. Uiteindelijk besloot hij alle vrouwelijke werknemers een schoudermassage te geven, gevolgd door de woorden: „Nu kunnen jullie me allemaal aanklagen, dan hebben we dat gehad.”

Vroeg of laat zullen er, net als over andere serieuze thema’s, toch grappen over gemaakt worden

#MeToo

Humor biedt een uitlaatklep voor dingen die niet gemakkelijk bespreekbaar te maken zijn, zegt hoogleraar klinische en gezondheidspsychologie Sibe Doosje. Doosje is gepromoveerd op humor aan de Universiteit Utrecht en geeft met zijn bedrijf Humorlab lezingen en workshops over humor. Op de werkvloer heb je volgens Doosje flauwe humor, zoals je bij Debiteuren/Crediteuren van het televisieprogramma Jiskefet zag, en het soort humor dat serieuze onderwerpen luchtiger kan maken. Als er bijvoorbeeld ontslagen vallen, of als er teveel werk is. Doosje: „Het kan soms fijner zijn ergens grappen over te maken, dan eraan onderdoor te gaan.”

In beide gevallen maakt humor het werk in ieder geval leuker en is het goed voor de band met je collega’s. Maar niet alle onderwerpen zijn even geschikt om grappen over te maken, zegt Doosje. „Soms gaat de ernst van een situatie voor of moet ergens tijd overheen.” Hij noemt de aanslagen op 11 september 2001, of recenter het #MeToo-debat. „Maar vroeg of laat zullen er, net als over andere serieuze thema’s, toch grappen over gemaakt worden. Humor is in dat geval een manier van verwerking.”

Dat er bij Capability op kantoor nú al grappen over #MeToo worden gemaakt, kan volgens Kramer liggen aan de bedrijfscultuur. Hij merkt op dat het middelgrote bedrijf bijvoorbeeld geen sterke hiërarchie kent. Zijn deur staat altijd open en grappen over de baas worden ook gestimuleerd. Al geeft hij toe dat niet elke grap altijd in goede aarde valt, en dat het voor nieuwe collega’s soms wennen is. Maar, zegt Kramer: „Daar staat tegenover dat conflicten hier misschien sneller worden uitgepraat.”

Stand-upcomedian Mino van Nassau, die ‘humorworkshops’ aan bedrijven geeft, noemt een vertrouwde omgeving als randvoorwaarde. Het is net als met zingen, zegt hij. Onder de douche lukt dat vaak wel, maar eenmaal op de bühne klapt men dicht. „Wanneer er op kantoor een groot onderling vertrouwen is en weinig hiërarchie, kunnen er meer grappen worden gemaakt. Het is overigens altijd wel verstandig ervoor te zorgen dat je je collega’s eerst goed kent.”

In de workshops van zijn bedrijf Comedy Team laat Van Nassau mensen in groepjes van vijf een improvisatieoefening à la het televisieprogramma De Lama’s uitvoeren. Een voorbeeld: verzin de grappigste antwoorden op de vraag ‘wat niet te zeggen in een operatiekamer?’ Werknemers uit verschillende lagen van het bedrijf koppelt hij aan elkaar: de directeur en de schoonmaker, de stagiair en de oude rot.

Afhankelijk van de bedrijfssamenstelling en de bedrijfscultuur merkt Van Nassau in de uitvoering grote verschillen. „Bij mannen zijn de grappen bijvoorbeeld harder en is er meer geoorloofd. Bij vrouwen gaat het meer over herkenbare situaties.” In het algemeen merkt hij dat maatschappelijke ontwikkelingen als de financiële crisis en de druk van politieke correctheid ons voorzichtiger hebben gemaakt. „Eigenlijk is alleen de woordgrap door sociale media in populariteit toegenomen.”

Heksenjacht

Trendwatcher Adjiedj Bakas stelt zelfs dat de terreur van politieke correctheid ervoor zorgt dat veel grappen helemaal niet meer gemaakt worden. Hij noemt het satirische televisieprogramma Toren C, waar hij zelf groot fan van is. „Hoewel de sketches in dat programma lekker overdreven zijn, zijn het tegelijkertijd uitvergrotingen van reële situaties op kantoor.” We kijken er volgens Bakas nu met nostalgie naar: grappen waarbij machtsverhoudingen een rol spelen kunnen bijvoorbeeld niet meer. Mensen zijn als de dood dat iemand naar personeelszaken stapt.

Men loopt op eierschalen, betoogt Bakas. „De Middeleeuwen van de kantoorhumor zijn aangebroken. Humor zoekt zijn weg nu ondergronds – het ontstaan van Whatsapp-groepjes waarin grappen binnen vertrouwde kring gedeeld worden is daar het beste voorbeeld van.” Maar daarbuiten woedt een heksenjacht op politieke incorrectheid, zegt Bakas. „Zo zorgt het #MeToo-debat dit jaar voor het verdwijnen van seksistisch getinte grappen.”

Ook Doosje denkt dat het humordiscours van bijvoorbeeld seks en relaties onder druk staat. Toch voorspelt Bakas dat we tegen het einde van 2018 kunnen hopen op een kentering. „We zullen genoeg hebben van de betutteling en weer behoefte hebben aan domme blondjes-grappen.” Ook maken grappen over de baas een comeback, voorspelt hij, nu de economie weer aantrekt.

Vijf tips van comedian Mino van Nassau

1. Vergelijk grappen maken met iemand versieren. Iemand aanspreken op Tinder is makkelijk, het echte werk vergt oefening en geduld.

2. Doseer en tast af. Soms ga je te ver en dan moet je weer een stapje terug doen.

3. Speel met technieken. Zoals overdrijving of omkering.

4. Ken je collega’s. Met meer kennis is er meer materiaal om je grappen op te baseren.

5. Durf ruimte te bewaren. Vaak is het eerste dat je wil zeggen niet het grappigste, maar het tweede of derde wel. Roep dus niet te snel.

Verhalen uit Kreenholm

Mister Motley, 31-10-2017

Door een halfopen stalen deur gaan we een van de oude werkruimtes van de Kreenholm textielfabriek in. Sinds 2010 is de fabriek in de Ests-Russische grensstad Narva, gesloten. De muren, vloer en plafonds van wat ooit de grootste fabriek van de Sovjet-Unie was, zijn wit. Een laag stof heeft zich op elke mogelijke oppervlakte van de uitgestrekte ruimte verzameld. Door het midden lopen twee rijen pilaren. Het doet denken aan een ruïne van een Romeinse tempel.

 

Op de muren van de werkruimte kleven nog verwrongen lagen lichtgeel en blauw behang, het is nauwelijks te zien welke kleur de laatste laag is geweest. De pilaren zijn beplakt met posters van het werk van kunstenaar Maria Kapajeva. Vrouwen in werkschorten en een hoofddoekje op kijken vanaf uitvergrote foto’s hun vroegere werkruimte in en vertellen in een paar alinea’s tekst hun verhaal.
Met een groep curatoren zijn we op deze herfstige ochtend naar de grensstad getrokken, waar de Estse Tallinn Photomonth contemporary art biennial zich dit jaar naartoe uitgebreid heeft. Narva is met 95 procent Russischtalige inwoners het centrum van de Russischtalige minderheid in Estland. Tot nu toe reisden niet veel mensen uit de rest van het land ernaartoe en ook andersom is dit niet het geval. Daar willen culturele instellingen, zoals de biennial verandering in brengen. Zij zien de grenszone juist als vruchtbare grond voor ontmoeting en discussie.

Tõnu Tunnel

Tõnu Tunnel

Kapajeva is de hoofdexposant van de Photomonth in Narva en komt zelf uit de stad. Haar werk verhaalt over de sociale nalatenschap van de Kreenholm textielfabriek, over Oost-Europees feminisme, over collectiviteit en solidariteit. Haar beide ouders werkten in de fabriek. Kapajeva groeide op binnen de werkruimtes, dromend van een toekomst als textielkunstenaar. Inmiddels woont Kapajeva al elf jaar in Londen en exposeert ze haar kunst, waarin textiel vaak nog een rol speelt, over de hele wereld.

De verlatenheid in de vroegere fabrieksruimtes voelt droevig en ik vraag me af waar al die vrouwen die op de foto’s van Kapajeva staan, nu zijn. Zitten ze in hun afzonderlijke huizen, achter hun afzonderlijke bureaus, kassa’s of balies? En denken ze nog vaak aan hoe ze hier stonden – in lange rijen, zij aan zij? Kapajeva vertelt dat er in Narva de afgelopen twintig jaar vooral grote supermarkten zijn gebouwd en dat een groot deel van de voormalige werknemers van de fabriek nu achter de kassa zit. De fabriek – die op een eiland precies op de grens tussen de twee landen ligt – bood werk aan een groot deel van de inwoners van Narva en zorgde voor sociale cohesie. Toen de fabriek failliet werd verklaard, verloren veel mensen niet alleen hun baan maar ook een tastbaar deel van hun sociale identiteit.
Kapajeva verliet Narva toen zij achttien was en ging studeren in de universiteitsstad Tartu. Haar studie op de kunstschool in Ivangorod  – aan de overkant van de Narva-rivier  – , moest zij onderbreken toen Estland onafhankelijk werd. De brug die tot dan toe slechts een verbinding tussen twee oevers was, werd een grensovergang.

Maria Kapajeva & Tõnu Tunnel

Voelt ze zich nog thuis in de stad, behoort ze er nog? Ze kan het niet met zekerheid zeggen. Natuurlijk is het haar thuis, maar ze voelt zich eerder net als overal op een bepaalde manier een vreemde. In Narva, omdat ze al zo lang weg is. In de rest van Estland, omdat ze Russisch spreekt. In Londen omdat ze geen Engelse is. Toch voelt ze, wanneer ze bezig is met haar Kreenholm-project en oude werknemers van de fabriek portretteert, hoezeer deze geschiedenis ook van haar deel uitmaakt.

Deze vragen zijn niet enkel persoonlijk, maar van belang voor de gemeenschappelijke sociale identiteit van het hele Estse volk, zegt Liisa Kaljula, collectie curator van het Art Museum of Estonia, en curator van Kapajeva’s tentoonstelling. Ze ziet een tendens dat Esten hun herinneringen aan de Sovjettijd liever vergeten of verdringen, dan dat ze die omarmen als een deel van zichzelf. Gebouwen van architectonische waarde en kunst worden vernietigd omdat er een pijnlijke herinnering aan verbonden is, en vervangen door een modern exemplaar. De gemeenschappelijke identiteit wordt vooral ontleend aan de toekomst en niet aan het gezamenlijk verleden, waaruit die toekomst ontspruit.

Maria Kapajeva & Tõnu Tunnel

Als expert op het gebied van post-Sovjet kunst en cultuur vindt Kaljula dit zonde. “Onze geschiedenis mag complex zijn, maar het vormt ons tot wie we nu zijn en wie we zullen worden,” zegt ze. “In die complexiteit ligt juist onze unieke persoonlijkheid en kracht als volk. In korte tijd hebben we twee totaal verschillende systemen meegemaakt. Collectiviteit en socialisme, individualisme en kapitalisme. De snelle ontwikkeling die we hebben doorgemaakt als land, en onze economische successen – waar nu vaak de nadruk op wordt gelegd – hebben meer kracht als je ze plaatst in dit grotere geheel dan wanneer je ze los beschouwt. De paradox ligt wat mij betreft in het feit dat de meest indringende kunst juist ontstaat uit de dingen die je misschien liever wilt verbergen.”

Ook Kapajeva kan zich de overgang van systemen goed herinneren. “Het was een schok. De onafhankelijkheid van Estland bracht crisis met zich mee voor de Russisch-Estse bevolking, maar was tegelijkertijd ook een groot cadeau. We moesten onder ogen zien dat wat je altijd geloofd had, niet de enige waarheid was. Dat vormt je en maakt je een rijker mens.” Deze geschiedenis maakt juist een stad als Narva of een land als Estland een belangrijke plek om de discussie te voeren over sociale identiteit, vindt curator Kaljula. En kunst is hierin misschien wel een van de beste middelen, een gemeenschappelijke taal. In dit specifieke geval niet in het minst omdat er een traditionele taalbarrière bestaat tussen de verschillende culturen.

Maria Kapajeva & Tõnu Tunnel

De ‘decollages’ van Kapajeva, waarbij de figuren van de werkers uit oud-promotiemateriaal van de fabriek zijn gesneden, geven een indruk van verlorenheid. Van iets dat mist. Een verhaal zonder personages, een realiteit die achter is gelaten. Het idee dat de vrouwen die ooit samen in de fabriek stonden, nu ieder op hun eigen plekje zitten, raakt aan de overgang van collectiviteit naar individualisme. Het feminisme in Oost-Europa is daarom bijzonder om te onderzoeken, vindt Kapajeva. Waar er in het kapitalisme een competitie bestaat tussen vrouwen, ontleenden hier vrouwen niet lang geleden hun persoonlijke waarde nog aan hun gemeenschapsgevoel. Veel fabriekswerkers die ze interviewde, voelden een sterke nostalgie. Hoewel het werk lichamelijk zwaar en uitputtend was, was er iets dat raakte aan hun innerlijke wezen.

In de maatschappij van vandaag heeft solidariteit zijn waarde verloren. We moeten vechten om in leven te blijven. Het is ieder voor zich. De manier waarop verschillende economische systemen het gemeenschapsgevoel van vrouwen beïnvloeden, mag volgens Kaljula meer belicht worden.

Maria Kapajeva & Tõnu Tunnel

 

 

Gepubliceerd op Mister Motley

http://www.mistermotley.nl/art-everyday-life/verhalen-uit-kreenholm