Robots zouden werk leuker moeten maken, niet makkelijker

Hoogleraar David Abbink streeft naar een symbiotische samenwerking tussen robot en mens. ‘Het liefst zou ik zien dat er robots worden ontwikkeld die speels en uitdagend zijn, en waar je als mens echt een wisselwerking mee hebt.’

27 juni, Vrij Nederland

Fotografie Franck Robichon/EPA/ANP

7 tot 9 minuten leestijd

Symbiose: het langdurig samenleven van twee of meer organismen van verschillende soorten, dat ten minste voor een van hen gunstig of zelfs noodzakelijk is. De stad Delft, waar dit interview plaatsvindt, is er eigenlijk al een mooi voorbeeld van. Een 750 jaar oude plaats, waar in historische gebouwen onderzoek wordt gedaan naar hightech-oplossingen voor de toekomst. Het zou best kunnen dat juist deze oude stad een vruchtbare voedingsbodem biedt voor futuristisch onderzoek. En andersom: dat de historische omgeving wordt geherwaardeerd door het contrast met al die innovatie.

In het voormalige biotechnologisch laboratorium – een oud gebouw aan de rand van de Delftse botanische tuinen – huist sinds 2019 het RoboHouse, een fieldlab voor geavanceerde robotica. Bedrijven en instellingen kunnen er terecht met vragen over de inzet van slimme robots in fysieke werkprocessen. Onder de radar werkt hoogleraar Haptic-Human Robot Interaction David Abbink in dit gebouw al twee jaar aan het nieuwe, transdisciplinaire onderzoekscentrum FRAIM. Hier vindt roboticaonderzoek en sociaalwetenschappelijk onderzoek simultaan plaats, en dat is met een reden. Volgens Abbink is er namelijk een symbiotische samenwerking tussen robot en werknemer nodig. ‘Alleen zo kunnen we werkvloeren van de toekomst creëren waar zowel robots als mensen optimaal tot hun recht komen,’ stelt hij.

Hoe is symbiose toepasbaar op de relatie tussen mens en robot? En waarom is zo’n visie op robotica nodig?

‘Bedrijven optimaliseren werkvloeren al jaren met behulp van robots, voornamelijk op basis van efficiëntie-denken. Wetenschappers ontwikkelen robot-technologie vanuit nieuwsgierigheid naar wat we een robot allemaal voor menselijke taken kunnen laten doen.

Ook ik zat lang op die apenrots, mezelf op de schouder te kloppen: “Kijk eens wat wij allemaal kunnen bedenken.” Maar de vraag wat ervoor nodig is om de werkvloer beter te maken, wordt amper gesteld.’

‘De sociale wenselijkheid van de technologie wordt vaak pas aan het einde van de rit getest. Dat is te laat.’

‘Het heeft mij veel werk gekost om in te zien dat een systemische kijk op robotica, waarin sociaalmaatschappelijke vraagstukken in de beginfase van het ontwerp worden meegenomen, veel duurzamer en interessanter is.’ Lachend: ‘Dat mijn vrouw antropologe is en graag met mij discussieert, hielp. Bij FRAIM werken we nu samen met onder andere antropologen, robotica-experts, etnografen, arbeidspsychologen, designers, ethici, vakbonden en de vakmensen zelf. Er is groot transdisciplinair onderzoek nodig, waarvoor we inzetten op langdurige financieringsaanvragen. Want als we zo doorgaan als nu, krijgen we wat we nu al hebben. Tech-gedreven innovatie met een goed businessmodel als enige voorwaarde voor bestaansrecht. De sociale wenselijkheid van de technologie wordt vaak pas aan het einde van de rit getest. Dat is te laat. We moeten eerder weten wat de onverwachte gevolgen kunnen zijn van keuzes in robot-ondersteuning op de werkvloer.’

Wat is een voorbeeld van zo’n negatief gevolg van tech-gedreven innovatie voor mensen op de werkvloer?

‘Kijk naar Amazon en de zogeheten fulfilment centers, die de gehele logistieke afhandeling van hun producten verzorgen. Hier doen robots een deel van het sorteerwerk en de menselijke werknemers een ander deel. Dit doen ze enorm efficiënt, veel andere bedrijven willen daar een voorbeeld aan nemen. Begrijpelijk, als je kijkt naar snelheid, kosten en baten.

Maar als je je verdiept in de ervaringen van werknemers, en daar zijn verschillende documentaires over gemaakt, ontdek je een heel ander verhaal. Het werk dat zij moeten doen is zo eentonig en moet op zo’n hoog tempo gebeuren, dat de meeste van de tijdelijke werknemers na een paar maanden alweer opstappen. Dat dit gebeurt, is hoogstwaarschijnlijk ook al berekend in het businessmodel.

Ook in de zorg zie je de negatieve effecten van technologische optimalisatie. Daar zijn weinig robots maar veel zorgmedewerkers, een groep mensen die al ondergewaardeerd is. Zij klagen over de hoeveelheid data die zij per dag moeten verwerken, waardoor ze minder aandacht hebben voor het echte zorgwerk. Zo’n manier van digitaliseren houdt geen rekening met creativiteit, en de behoefte van vakmensen aan autonomie, leren, en sociaal contact.’

 De paradox lijkt te zijn dat we robots hebben willen ontwikkelen die steeds meer op mensen lijken en menselijke taken kunnen overnemen, en dat het effect is dat mensen in hun efficiëntie en productiviteit steeds meer op robots moeten gaan lijken.

‘Dat klopt helemaal. Een typische gedachtegang van roboticaexperts is dat robots werk zullen overnemen dat Dull, Dangerous en Dirty is – de drie D’s van robotica. Maar wat je ziet gebeuren, is dat het werk van mensen ook saaier wordt, omdat de mens wordt gespiegeld aan de robot. Van beiden wordt het werkproces steeds meer geautomatiseerd. De robot doet de ene repetitieve taak, de mens de andere. Dat roept bij mij de vraag op: waarom? We hebben al mensen, met hun eigen krachten. Laat de robots doen waar zij goed in zijn en de mensen juist excelleren in hun menselijkheid. Dat vereist een heel nieuwe manier van robotica ontwikkelen.’

VAKKENVULROBOT

Om een werkproces te illustreren waar robots niet zo goed in zijn en mensen wel, gaan we naar een van de onderzoekslaboratoria in het gebouw, het AiRLab. Het is een kleine ruimte waar een hoekje van een Albert Heijn-filiaal is nagebouwd. Het onderzoek dat hier plaatsvindt, wordt gefinancierd door Ahold en staat onder leiding van Abbinks collega Martijn Wisse. Het is een van de ‘Working Labs’ die FRAIM nu aan het opbouwen is: een Brewery Working Lab met Heineken, een Inspection & Repair Working Lab met KLM, en een Agro Working Lab, waar een kas in de botanische tuin wordt gebruikt om robots te ontwikkelen samen met kaswerkers.

‘Robots zijn slecht in variabiliteit. Mensen daarentegen zijn meesters in fysieke taken en gedijen bij genoeg variatie.’

In het AiR-lab is een aantal studenten van de Master Robotica bezig om de vakkenvulrobot, die in het midden van de ruimte staat, te programmeren. Ze hebben geprobeerd de robot aan te leren hoe die verschillende verpakkingen in de schappen kan zetten, herkent wanneer een schap vol is en wanneer een pak melk bijvoorbeeld even schuin gehouden moet worden om in het schap gezet te kunnen worden.

‘Zulke fysieke taken zijn ontzettend moeilijk voor robots. Robots zijn slecht in variabiliteit, elke nieuwe situatie moeten ze leren. Of je moet de omgeving helemaal standaardiseren. Mensen daarentegen zijn meesters in fysieke taken en gedijen bij genoeg variatie. Als je stukken daarvan wegneemt met robots, kan je op onverwachte effecten stuiten.

Zoals bij een maakbedrijf, waar werknemers een stukje heen en weer moesten lopen om benodigde onderdelen te pakken. Zou het niet prettig zijn als die onderdelen op een robotkarretje naar de werknemer toegebracht zouden worden, werd gedacht. Technici gingen aan de slag, en een succesvol prototype kon inderdaad kostbare tijd besparen, waardoor de werknemer meer productie zou moeten kunnen draaien. Maar wat bleek: de werknemer verloor werkplezier. Tijdens de wandelingetjes vonden ook sociale contacten plaats, werden er knelpunten bij andere processen opgemerkt en ontstonden er ideeën.

Iets soortgelijks geldt vermoedelijk ook voor vakkenvullen. Toen ik in mijn studententijd als vakkenvuller werkte, waren de momenten dat je even naar het magazijn kon en wat kon dollen met je collega’s de lichtpuntjes van de werkdag. Dat soort variatie hebben mensen nodig om productief te kunnen zijn en met plezier en creativiteit te werken. Daar juist meer ruimte voor creëren zou de focus van robotonderzoek voor de werkvloer moeten zijn.’

Om erachter te komen welke onderdelen van werk baat kunnen hebben bij robotica gaan jullie met het transdisciplinaire team ook langs op de werkvloer. Waar letten jullie op?

‘De psychologen nemen bijvoorbeeld kwantitatieve vragenlijsten af. Ze vragen de werknemers tijdens welke taken ze zich betrokken voelen of wanneer ze zich juist vervelen. Een etnograaf let op het totaalplaatje en vraagt zich af: waarom zit die ene persoon daar helemaal alleen, en waarom praat niemand tegen haar? Een designer oppert ideeën over hoe de werkplek anders ingericht kan worden.

Als individuele wetenschapper ga je al gauw met je eigen hamertje op zo’n situatie af, om te zien welk stukje van de wereld er als een spijker uitziet. Dit doen we allemaal, maar wanneer we samen gaan zitten, ontstaan er vragen: is het wel een technisch probleem, of is er eerder een sociaal probleem?’

‘We moeten ervoor waken om overal een probleem in te zien dat uitgeoptimaliseerd kan worden.’

Loop je zo niet het gevaar om de mens en werkvloer nog verder te gaan optimaliseren? Hoort een beetje verveling bijvoorbeeld niet gewoon bij het werk?

‘Ja, we moeten ervoor waken om overal een probleem in te zien dat uitgeoptimaliseerd kan worden. Het ontwikkelen van robotica voor de werkvloer is idealiter een proces dat je steeds bijstuurt, met de kennis die je vergaart. De wereld is complex. Daar kan je geen standaardformule op loslaten.

FRAIM hoopt vraagtekens te plaatsen in het ontwikkelproces, zodat er geen technologie ontwikkeld wordt die voor meer problemen zorgt dan dat ze oplost.’

Misschien heeft robotica een veel minder grote plaats in onze samenleving te vervullen dan aanvankelijk door roboticaexperts en techneuten werd gehoopt.

‘Vijf jaar geleden had ik bij het horen van deze gedachte gesteigerd. Maar inderdaad, het is goed mogelijk. Alleen leven we nog steeds in een economie die gedreven is door eindeloze productie en innovatie.’

Kan het inzetten van robotica op een symbiotische manier, denk je, zorgen voor minder werkloosheid en een herwaardering van werk?

The Great Resignation (een aanhoudende economische trend sinds 2021, waarbij werknemers massaal vrijwillig ontslag nemen, AL) zou tegengegaan moeten worden door de werkvloer echt aantrekkelijker te maken. Mensen leggen niet voor niets het werk massaal naast zich neer. Dit heeft onder meer te maken met automatisering, weinig eigen inbreng of ontwikkelingsmogelijkheden en onmenselijke werkstandaarden.’

Hoe kunnen robots ervoor zorgen dat mensen leren en uitgedaagd worden?

‘Een mooi voorbeeld zijn revalidatierobots. Die fungeren als een soort onvermoeibare fysiotherapeut, die de patiënt helpt bewegingen te maken door te ondersteunen of juist te vermoeilijken. De robot kan de hoeveelheid assistentie steeds aanpassen, zodat de patiënt wordt uitgedaagd de eigen skills meer en meer te gebruiken.

Op dit moment worden robots precies andersom ingezet. De robot neemt een taak van jou over, en je wordt afhankelijk van de robot voor het uitvoeren van die taak. Tesla’s bijvoorbeeld maken van mensen steeds slechtere, verveelde bestuurders. De taak die jij nog hebt uit te voeren is namelijk heel eentonig, maar je wordt er wel voor bestraft als je je aandacht er niet bijhoudt: door oorverdovend gepiep als je je handen van het stuur haalt.

Ik wil niet zeggen dat intelligente auto’s slecht zijn. Maar een interessantere vraag zou zijn: hoe kan je de intelligente auto zo inzetten dat ze werk overneemt wanneer dat veiliger is, maar ondertussen ook van jou een betere bestuurder maakt en meer rijplezier geeft? Daar heb ik veel onderzoek naar gedaan, en deze vraag kan je doortrekken naar bijna elke werkbranche.

Het liefst zou ik zien dat er robots worden ontwikkeld die speels en uitdagend zijn, en waar je als mens echt een wisselwerking mee hebt. Zodat je als werknemer na vijf jaar samenwerken met een robot meer in huis hebt, in plaats van minder.’

Wat is mansplainen? Simon legt het uit. (en meer stukjes voor De Speld en De Pin)

We horen de term steeds vaker: mansplainen. Maar wat is het precies? Volgens hoogleraar Gender Studies Yvonne Beijaard zijn de kenmerken van mansplaining een betuttelende manier van spreken en…  “Ik zal het wel even uitleggen!” onderbreekt Simon de hoogleraar.

“Het is eigenlijk een wijdverspreid probleem onder vrouwen,” zegt Simon, ‘dat ze niet snappen wat mansplainen betekent. Maar, geen probleem hoor, ik vertel er graag over.” Volgens Simon snapt zijn vriendin ook niet helemaal wat mansplainen nou precies betekent. Hij heeft het dus al vaker moeten uitleggen.

”Het is eigenlijk heel simpel,” vervolgt Simon. “Wanneer ik iets beter weet, voel ik me verplicht om dat te zeggen. Wat heeft het voor zin om een vrouw te laten uitpraten, als je middenin haar verslag al bij jezelf denkt: nee, schat, dat zit helemaal anders in elkaar! Het is eigenlijk een vorm van respect.”

Wanneer Simon even ademhaalt, grijpt Beijaard haar kans om haar verhaal af te maken. Door lang bestaande machtsasymmetrieën tussen mannen en vrouwen, kunnen de effecten van mansplaining volgens Beijaard voor veel mannen onopgemerkt blijven. “Hmm, ik weet als man toch zeker wel beter of iets opmerk of niet?” zegt Simon daarop. Hij veinst een meelevende glimlach en sluit af: “Dat lijkt me dus sterk, lieverd.”

Al mijn stukje op het satirische platform:
https://speld.nl/author/anna-lillioja/

Op huttentocht in het Engelse Lake District

  • 27 december 2021
  • Door: Anna Lillioja
  • Fotografie: Anna Lillioja

Op SNP NATUURREIZEN / OpPad.nl

Het is pas middag, maar door het grijze wolkendek lijkt het al te schemeren in de bergen van het Engelse Lake District. Het miezert en we hebben er al kilometers op een steil bergpad opzitten, wanneer er een lichtje in de verte verschijnt. Het is het venster van een leistenen huis, dat eenzaam op een bergplateau staat. Even later duwen we de voordeur voorzichtig open. Er klinkt geluid van bestek tegen een metalen pan en in de houtkachel brandt vuur. Op het slaapplatform in het midden van de ruimte zit een man in zijn slaapzak een boek te lezen. Bij het raam lepelt een vrouw een pannetje leeg. Ze lijken verbaasd ons nog tegen de avond te zien binnenkomen.

Meer info

Over deze tocht langs mountain bothies in het Lake District

  • Gebied: Lake District in Engeland
  • Route: Trektocht van 4 dagen langs 3 hutjes: Warnscale Head Bothy, Dub’s Hut en Mosedale Cottage.
  • Zwaarte: Richting Warnscale Head en Dub’s Hut is het een aardig steile klim. Vooral Warnscale Head kan moeilijk te bereiken zijn. Vertrek dus ver voor het donker en let op het weer. Mosedale Cottage ligt op vlakker, glooiender terrein.
  • Navigatie: Zie de website van Mountain Bothies Association. Er zijn geen bordjes onderweg, dus het vinden van de hutten kan soms een opgave zijn. Op visitbritain.com vonden wij activiteiten om in de regio te ondernemen, zoals een vaart met een oude Victoriaanse stoomjacht op Lake Coniston. Je kunt op de helft afgezet worden, en dan zelf terugwandelen (12 km).
  • Beste seizoen: Mei t/m september
  • Vervoer: Met de Eurostar (trein) vanaf Amsterdam of Rotterdam naar Londen. Vanaf daar met de bus verder naar The Lake District of een auto huren.

De bothy cultuur

We – mijn Engelse vriendin Beth en ik – zijn aangekomen bij Dubs Hut. Een oude mijnwerkershut op zo’n 500 meter hoogte en een van de ruim 100 ‘mountain bothies’. Simpele, gratis onderkomens voor wandelaars, te vinden in de meest afgelegen gebieden van Engeland en Schotland. Het zijn oude mijnwerkershutjes, herdershuisjes of boerderijen die, soms al honderden jaren geleden, verlaten zijn door de bewoners. Sinds de jaren zestig worden ze onderhouden door vrijwilligers van de Mountain Bothy Association. Wandelaars van over de hele wereld, zoals ook Tim en Betty, het Amerikaanse stel dat ons nu begroet, hebben inmiddels de bothy cultuur ontdekt. Tim en Betty hebben al een paar van de meest uitdagende wandelroutes in Noord-Amerika gelopen, zoals de 4265 km lange Pacific Crest Trail. Maar zoiets als de mountain bothies zijn ze nergens anders tegengekomen. Elders bestaan er wel trekkershutjes, maar in Noorwegen heb je bijvoorbeeld een sleutel nodig en in Nieuw-Zeeland zijn ze lang niet zo goed in kaart gebracht en onderhouden.

Lees meer over het Lake District

Image

Engeland Lake District Mountain Bothy

Beland in een Pinterest-album

Het interieur van Dubs Hut is simpel, maar schoon en verwelkomend. De vloer van de enige ruimte is gelegd met stenen tegels en tegen de wand staat een metalen houtkachel. Er zijn een tafel, een paar stoelen en in het midden van de ruimte een houten platform voor slaapmatjes. Achter de vier ramen bevindt zich echter het meest luxueuze aspect van de hut, het uitzicht: groene bergtoppen tot waar het oog reikt. In de vensterbank liggen naast het gastenboek spullen die door andere wandelaars zijn achtergelaten. Een kaartspel, twee blikken hotdogs, Yorkshire thee en bouillonblokjes.

Betty en Tim maken plaats voor onze matjes en rugtassen, en Tim doet, terwijl hij nieuw hout op het vuur legt, een mededeling: ‘Als jullie water uit de beek willen halen, loop dan ietsje verder stroomopwaarts. Onderaan ligt een dood schaap.’

Terwijl we ons installeren in het hutje, en onze slaapzakken om ons heen wikkelen, denk ik terug aan het begin van onze reis. Het is namelijk al onze vierde dag op zoek naar een paar van de mountain bothies in de Lake District. We begonnen onze tocht bij Mosedale Cottage, het meest afgelegen hutje van dit gebied. Met een busje reden we erheen vanuit Bristol, en omdat we in het donker aankwamen besloten we de eerste nacht door te brengen in de achterbak op onze matjes. Veel van de bothies liggen namelijk op kilometers wandelen van de autoweg. Wanneer we ’s morgensvroeg de achterdeuren van ons busje van binnenuit openden, leken we wel in een Pinterest-album te zijn beland. Onze voeten, nog gewikkeld in slaapzak, staken af tegen een achtergrond van grasland en bergen. Uit onze emaillen koffiekoppen stegen geurige stoomwolkjes omhoog. Op het kronkelende pad, dat vanaf de auto de bergen in liep, kwamen drie mensen in kleurrijke regenpakken aangewandeld. Ze staken hun hand naar ons op: ‘We hebben wat brandstof in de bothy laten staan, mochten jullie daarheen gaan!’

Meer dan drieduizend vrijwilligers

Alan Ainscough, Neil en Samantha Fairfurst bleken niet enkel fervente wandelaars maar ook drie van de vrijwilligers die de bothies jaarlijks onderhouden. Dat de meer dan honderd berghutjes en verlaten boerderijen er zo mooi bij blijven staan, komt namelijk door de inzet van de meer dan drieduizend vrijwilligers en de toegewijde beheerders van het land, waarop de huizen staan. Dubs Hut – waar we later belandden – is zo officieel eigendom van het leisteenmijnbedrijf Honister Slate Mine Company. Maar er zijn ook bothies die aan ministeries toebehoren. Zoals de Kaervaig bothy, een witgepleisterd huisje direct aan het witte zandstrand van een bergbaai, dat op defensieterrein ligt. En zelfs Koningin Elizabeth heeft een eigen hut: de Gelder Shiel Stable in de oostelijke Schotse Hooglanden.

Image

Wandelen Lake District

‘Vorig jaar hebben we geholpen met het inbouwen van nieuwe slaapplatforms en ook brengen we elk jaar oud en nieuw door in de bothy,’ zegt Neil. ‘Zelfs als er sneeuw ligt lopen we de kilometers door de bergen erheen. Maar wij zijn gek!’

De huisjes bevinden zich volgens het drietal op de mooiste, meest afgelegen plekken in de natuur en je hebt er de meest bijzondere ontmoetingen. In de Bothyregels staat namelijk dat je, zolang er plaats is, alle andere reizigers ook binnen moet laten in het huisje. Laatst brachten Samantha, Neil en Alan zo een nacht door met muzikanten. ‘Ze hadden banjo’s bij zich en toverden een fles whiskey op tafel,’ vertelde Samantha na. ‘Dat werd een onvergetelijke avond bij het haardvuur. Net een film…’

Bijzondere ontmoetingen

We vroegen de groep welke kant we op moeten voor Mosedale Cottage. De bothy is niet op Google Maps aangegeven en ook wandelinstructies zijn moeilijk te achterhalen. ‘Daar!’ wees een van hen met de vinger richting de velden. We zagen geen pad. Alleen maar heuvels en hoog gras, en keken hem vragend aan. ‘Ja, daar. Zo’n vier kilometer die kant op.’

In Mosedale Cottage ondervonden ook wij voor het eerst dat de bothies het toneel zijn voor bijzondere ontmoetingen. We deelden een kop koffie met een motorist en zijn zoon, die op een lange tocht op hun crossmotoren een stop maakten bij de hut. Later schuilden we voor de regen met Warren, een fabriekswerker die in zijn vrije tijd YouTube-filmpjes maakt over wandelen, zijn vriendin en hun twee schoothondjes. De schoothondjes – en Warren en zijn vriendin – hadden al 16 kilometer in de benen zitten.

Image

Donaties voor de hutjes

Image

Hondje in Mountain Bothy Lake District

Dat de mountain bothies uniek zijn, weten ook Leonard Fintelman en Martine Kramer. Dertig jaar geleden ontdekte het Nederlandse stel bij toeval een van de bothies, tijdens een wandeling door de Schotse Hooglanden. ‘We zagen een mooie, vlakke plek om onze tent op te zetten voor de nacht’, herinnert Fintelman zich. ‘Maar toen we dichterbij kwamen, ontdekten we dat daar een huisje stond. We gingen er naar binnen en vonden een gastenboek en een bordje aan de muur met de bothy code, de regels voor het gebruik van het huisje: ruim je eigen afval op, maak altijd plek voor andere wandelaars, respecteer de natuur…’

Toen Fintelman en Kramer eind jaren tachtig van het bestaan van de Mountain Bothy Association leerden, was de huttenlijst nog geheim. Kramer: ‘De locatie van een hut was iets dat fanatieke wandelaars alleen onderling deelden.’ Inmiddels zijn alle bothies op de website in kaart gebracht. En ook het verschijnen van de gids The Scottish Bothy Bible in 2017 heeft meegeholpen aan de bekendheid van de trekkershutjes. Als vakantieverblijf zijn de hutten echter niet bedoeld en ook overdadige luxe moet je als wandelaar niet verwachten.

Fintelman en Kramer behoren sinds een paar decennia ook tot de vrijwilligers, die de hutjes onderhouden. Om het jaar doen ze (tegenwoordig samen met hun tienerzoons) mee met een zogeheten work party, waarbij een groep van zo’n vijftien vrijwilligers een paar dagen naar een van de huisjes gaat om te repareren en verbouwen. Dat de kroonprins tijdens zo’n work party bij Gelder Shiel Stable een oogje in het zeil komt werpen, is volgens Fintelman niet ongebruikelijk.

Vandalisme of ander soort misbruik van de hutjes komt volgens Fintelman niet veel voor. ‘Misschien ligt het aan het feit dat veruit de meeste van de bothies in zulk onherbergzaam gebied liggen. Je moet vaak minstens vier kilometer door de bergen lopen, om er te komen. Dat is niet aantrekkelijk voor iemand die er slechts op uit is om een feestje te bouwen. Hier komen liefhebbers van de wildernis. Na een lange, soms barre wandeltocht ben je dankbaar voor dit warme onderdak en geef je daar ook graag iets voor terug.’
 

Image

Engeland Lake District Mountain Bothy

Barre weersomstandigheden

Dat je in barre weersomstandigheden terecht kunt komen tijdens een wandeltocht in Engeland, moet je dan ook niet onderschatten. Engeland is niet ver weg, maar het landschap en de omstandigheden verschillen drastisch met de natuur in Nederland. ‘Sommige Nederlanders lijken te denken dat het een soort grotere Veluwe is, wanneer ze in Engeland gaan wandelen’, zegt Kramer, die in een buitensportwinkel werkt. Maar waar je in Nederland eigenlijk altijd dichtbij de bewoonde wereld bent, ben je in de Engelse bergen als snel zonder mobiel bereik en kilometers van het dichtstbijzijnde huis. En dan is er nog het onvoorspelbare weer. ‘Ook wij kwamen zo eens in een sneeuwstorm terecht’, herinnert Kramer zich. ‘Bijna besloten we om in de sneeuw te overnachten, in onze bivakslaapzak. Tot we opeens ergens licht zagen branden.’ Wanneer je echter over de juiste wandeluitrusting beschikt, is een tocht in Engeland volgens het stel een must voor elke Nederlander die, niet ver van huis, een echte wilderniservaring wil opdoen.

In Dubs Hut worden ook wij de volgende ochtend middenin de stormwolken wakker. Al een paar uur hoor ik door mijn lichte slaap heen de wind janken. Achter het raam van de bothy is het egaal grijs. De bergen zijn niet zichtbaar en mijn telefoon is al sinds gisterenmiddag buiten bereik. We zetten koffie op ons gaspitje en eten een paar boterhammen, terwijl Tim en Betty vertellen over hun belevenissen op de ‘PCT’ (een koosnaampje voor de ruim 4300 km lange Pacific Crest Trail). We leren termen als ‘trail angels’ – mensen die langs de route stoppen om wandelaars een dienst te bewijzen zoals het uitdelen van eten, bieden van onderdak of gratis medische zorg en ‘yogi-ing’ – de praktijk van het ruilen van mooie verhalen tegen iets wat de verhalenverteller verlangt. Tim lacht. ‘Zo kun je bijvoorbeeld bij kampeerders, die een weekendje in hun luxetent inclusief versnaperingen langs de route staan, je heldhaftige verhalen delen en dan laten vallen dat je wel een moord zou doen voor een koud biertje.’

Image

Engeland Lake District

Image

Wandelen Lake District

Wanneer de zon iets later voorzichtig doorbreekt, merken we dat we al twee uur lang levensverhalen aan het delen zijn. Het is misschien cliché, maar waar: op zo’n afgelegen plek ben je op elkaar aangewezen en je kan niet anders dan snel vrienden worden. We hijsen onze rugzakken weer op onze rug en zwaaien onze nieuwe kameraden uit. Door het wispelturige weer, over de kleine bergpaden en langs de duizenden, grazende schapen: op naar de volgende hut.  

Meer informatie

Een overzicht van alle bothies vind je op de website van de Mountain Bothies Association. Mocht je in Schotland, waar de meeste hutjes zijn, willen gaan bothieën dan is ‘The Scottish Bothy Bible’ van Geoff Allan een mooie gids. Met veel foto’s en gedetailleerde beschrijvingen van de routes naar de huisjes.
Voor wandeltochten in het Lake District zijn de boekjes van Alfred Wainwright je beste vriend. 

Wij reisden naar Engeland met de Eurostartrein vanaf Amsterdam Centraal. Kijk voor meer informatie over een bezoek aan Groot-Brittannië op de website van het verkeersbureau.

Rubriek “Wat doe jij eigenlijk?”

Op nu.nl heb ik een wekelijkse rubriek, waarbij ik steeds iemand interview die mij over diens ‘onalledaagse’ beroep vertelt. Zo zijn al een officiele James Bond look-a-like, de wassenbeeldenverzorger van Madame Tussauds, een online dominatrix, een forensisch handschriftdeskundige, een parfumeur en een spookhuisacteur de revue gepasseerd.

Elke woensdag staat er een nieuw interview in de katern ‘Werk’ van de sectie Economie. Een kijkje in het leven van iemand met een baan, waarvan je misschien niet eens wist dat het bestond. Ik hoop ook mezelf te verrassen, en met deze rubriek een fris perspectief te bieden op de verschillende mogelijkheden die er zijn om je (werkende) leven te leiden.

“Een baan als lookalike van James Bond: de vrouwen grijpen naar mijn billen.”

“Wassenbeeldenverzorger: George Clooney zit elke avond onder de lippenstift.”

“Parfumeur: Avondlucht was de inspiratie voor mijn eerste geurtje.”

“Festivalecoloog denkt aan vleermuizen en broedvogels”

“Ondertitelaar: Dit is het meest ondankbare werk dat er is.”

“Balonnenclown: hond, giraf en aapjes zijn het simpelst.”

“Doedelzak spelen is geen hobby, maar een lifestyle.”

“Incidentenfotograaf: als ik kan helpen leg ik mijn camera weg.”

Waarom spreken de Moemins nog steeds tot de verbeelding? Op zoek naar de oorsprong van deze vredige tekenfiguurtjes in Helsinki

In de wereld van de Moemins gaan imperfectie en tolerantie hand in hand. Al bijna honderd jaar zijn de Finse tekenfiguurtjes wereldwijd geliefd. In Helsinki gaan we op zoek naar hun oorsprong.

Volkskrant, 9 april 2019
Beeld Moomin Characters

In Katajanokka, de art-decobuurt van Helsinki, is het rustig op straat. Het is 23 graden onder nul en op de versierde dakranden ligt centimeters dik sneeuw. Vanaf het Tove Janssonpark en de Oespenski-kathedraal loopt de bekendste straat van de buurt, de Luotsikatu, licht hellend omhoog. Het appartement op nummer 4B kijkt uit op een frivool torentje met groene dakpannen. ‘Herkennen jullie het?’ roept onze gids Hani (‘H-A-N-I, not Honey’). ‘Het is het torentje van het badhuis in de Moeminvallei.’

Op Luotsikatu 4B woonde Tove Jansson, een van Finlands meest geliefde kunstenaars, de meest gelezen Finse auteur ter wereld en de geestelijke moeder van de Moemintekenfiguren: een bohemienachtige familie van ronde, witte wezens met grote neuzen. Meer dan honderd jaar na haar geboorte in 1914 zijn haar creaties nog springlevend. Elke Fin heeft wel een persoonlijk verhaal dat met de Moemins is verbonden en een favoriet karakter. De voormalige Finse president Tarja Halonen werd in de media zelfs liefkozend Mamamoem genoemd, naar de moederfiguur in Janssons verhalen. Niet alleen om haar zorgende karakter, maar ook omdat ze altijd dezelfde soort grote handtas bij zich droeg (waar Mamamoem alles in verborg wat je maar nodig kon hebben). Er zijn Moemincafés en een Moeminpretpark. In Azië liggen de winkels vol met Moeminmerchandise en dit jaar verschijnt op de Finse en Britse televisie een van de Japans-Nederlandse Moemins animatieseries uit de jaren negentig met bekende Britse stemacteurs, zoals Rosamund Pike en Jennifer Saunders.

Cover van stripboek ‘Moem in het oerwoud.’ Uitgegeven door de Volkskrant in 1967.

Hoe komt het dat de figuren die zijn geboren uit de fantasie van een jong meisje, dat dromerig uit haar slaapkamerraam naar de mooie torentjes aan de overkant keek, na bijna honderd jaar nog steeds zo veel mensen weten te raken? We gaan op zoektocht in Helsinki.

Tove groeide op in Katajanokka met haar moeder, die illustrator was, haar vader, die beeldhouwer was, en haar twee kleine broertjes. Al op haar 13de maakte ze strips voor de plaatselijke krant en tekende ze haar eerste Moem – een trolachtig figuur met een grote, lange neus. In het begin zag de Moem er behoorlijk eng uit en had hij een figurantenrol in haar tekeningen maar al snel werd hij steeds liever en kreeg hij de hoofdrol. In de jaren vijftig en zestig verschenen er zeven Moeminboeken over de avonturen van de inwoners van de Moeminvallei, en een Moemin krantenstrip verscheen in meer dan twintig talen. In Nederland stond de strip in de Volkskrant en werd er door deze krant ook een stripboek uitgebracht.

Tove Jansson, schepper van de Moemins. Beeld Moomin Characters

Vluchten van de realiteit

Dat de Moemins in eerste instantie nooit voor kinderen waren bedoeld, vertelt Janssons nichtje Sophia Jansson wanneer we Toves atelier bezoeken. Het eerste Moeminboek werd geboren uit de drang van Jansson om te vluchten aan de realiteit van de Tweede Wereldoorlog in Finland. ‘Haar beide broers vochten in de oorlog en vrienden sneuvelden. Tove had het er erg zwaar mee.’ In die tijd schreef ze haar eerste boek. Het decor van de Moeminvallei baseerde ze deels op het zomerverblijf van de familie, op een eilandje voor de zuidkust van Finland. De karakters reflecteerden haar ideaalbeeld van hoe mensen met elkaar zouden moeten omgaan. Alle figuren zijn op een zekere manier imperfect, maar elk van hen maakt een waardevol deel uit van de Moeminwereld. In het huis van Mamamoem en Papamoem is iedereen een graag geziene gast.

Voor veel mensen zijn die tolerantie en acceptatie nog steeds wat de Moeminvallei symboliseert. Een plek waar je altijd welkom bent. ‘Ik kan me goed herinneren dat ik me ook zo voelde bij Tove thuis, toen ik klein was’, zegt Sophia. ‘Er kwamen daar altijd de meest uiteenlopende mensen op bezoek. Er heerste echt een Moeminsfeer.’ De bijeenkomsten en kunstenaarsfeestjes van Tove vonden plaats in hetzelfde atelier waar we nu op bezoek zijn. De kunstenaar kon de ruimte aan de Ullanlinnankatu in het centrum van Helsinki in de jaren veertig gaan huren, nadat zij er al eerder haar oog op had laten vallen. Het gebouw was deels gebombardeerd en in de eerste jaren joeg de wind nog door de gangen. ‘Het ziet er vreselijk uit, maar het is nog steeds mijn grote droom’, schreef Tove, die tot na haar 30ste nog thuis had gewoond, over haar langverwachte eigen atelierruimte in een brief aan een van haar vrienden.

Moemins Beeld Moomin Characters

Hansi

Bijzonder Hoogleraar Illustratie aan de Universiteit van Amsterdam, Saskia de Bodt, heeft in haar afscheidsrede een groot stuk aan de Moemins gewijd. Op het moment werkt ze aan een boek dat de manier beschrijft waarop oude illustraties herleven als toerismesymbolen en folklore. Ook hierin komen de Moemins voor. ‘Je ziet dat prentenboeken vooral een prominente rol hebben in streken of tijden waar mensen problemen hebben met hun identiteit. De karakters en verhalen van de prentenboeken geven mensen iets om zich mee te identificeren. Neem bijvoorbeeld het werk van Hansi, tekenaar en schrijver uit de Elzas. De Elzas is in de geschiedenis steeds weer in andere handen geweest. Eerst Frankrijk, dan weer Duitsland en dan opnieuw Frankrijk. Het werk van Hansi, een pro-Frans activist, was immens populair. Hansi dikte de folkloristische karakters heel erg aan. Hij bejubelde Fransen in zijn tekeningen en overal waar maar mogelijk hing een geïllustreerde Franse vlag uit. De Duitsers, die aan de macht waren en ook de gendarme en leraren leverden, maakte hij belachelijk. Aangezien de Elzassers een kwetsbaar identiteitsgevoel hadden door de wisselende machten, waren ze sterk beïnvloedbaar door fictieve rolmodellen.’

Finland is ook verscheurd geweest tussen Zweedse, Russische en Duitse machten. Jansson was daarnaast zelf een Zweeds sprekende Fin. Hoewel dat de heersende elite was, was het wel een minderheid. Ze schreef de Moeminboeken in een tijd van oorlog en tumult. De Bodt: ‘Veel van de symboliek gaat hierover. Er is vaak een dreiging; een storm, een lange tocht om af te leggen, een grote berg om te beklimmen.’ Na verloop van tijd zie je volgens De Bodt vaak dat de figuren uit prentenboeken uit hun oorspronkelijke verhaalcontext worden getrokken. ‘De Hansi-karakters zijn nu symbolen waarmee toeristen naar de Elzas getrokken worden. En nu verrijst er bijvoorbeeld een Moeminspretpark in Japan. De figuren die daar staan hebben niet veel meer te maken met diezelfde politieke context waarin Tove ze creëerde. Het zijn knuffelbare iconen, die bezoekers trekken: vorm, zonder inhoud.’

Toch ziet De Bodt een verschil. De Moeminverhalen worden nog steeds gelezen en er worden zelfs nieuwe series geproduceerd. In tegenstelling tot Hansi of bijvoorbeeld Jip en Janneke, hebben dus niet alleen de figuren, maar ook de verhalen van de Moemins de tand des tijds doorstaan. ‘Ik kan eigenlijk niets negatiefs zeggen over Annie M.G. Schmidt maar Jip en Janneke is natuurlijk vreselijk gedateerd. Al die verhalen zijn opgebouwd rondom de normen en waarden van de jaren vijftig.’ De Bodt vergelijkt de Moemins met Winnie de Poeh of Alice in Wonderland. ‘Hoewel mensen er in verschillende tijden verschillende boodschappen uit halen, is de symboliek tijdloos. Alle figuren in Winnie de Poeh bijvoorbeeld zijn verdraagzaam, ze vormen met elkaar een ideale maatschappij, die je graag aan je kinderen zou willen nalaten. Dat geldt in zekere zin ook voor de Moemins. Het zijn herkenbare figuren, met heel karakteristieke eigenschappen.’

Het Moeminmerk wordt al twintig jaar beheerd door Sophia. ‘Het is niet alsof een succesvol of klassiek kunstwerk vanzelf voort blijft leven. Je moet mensen eraan blijven herinneren. Door te herdrukken, exposities te organiseren, nieuwe samenwerkingen aan te gaan.’ Het moeilijkste is volgens haar om de grens te vinden tussen het eerbiedig behandelen van het origineel, het gedachtegoed van Tove, en nieuwe dingen uitproberen. Sophia: ‘In Azië, waar de Moemins ontzettend populair zijn, houden ze erg van merchandise. We moeten daar wel deels aan tegemoet komen, maar ik zou niet willen dat er straks shitloads plastic Moeminsfiguren in de oceaan ronddobberen. Dat is een krankzinnig idee. Vooral als je je bedenkt dat Tove juist zoveel waarde hechtte aan leven in harmonie met de natuur. Daarom zijn we erg streng met het verlenen van gebruiksrechten. We werken alleen samen met ontwerpers en kunstenaars die een kwaliteitsproduct maken en onze filosofie snappen.’

HOMOSEKSUALITEIT

Tove Jansson had relaties met vrouwen in een tijd dat homoseksualiteit illegaal was in Finland. Desondanks lukte het haar om homokoppels in haar Moeminsverhaal langs de censuur te krijgen. Zoals Tofsel en Bob, wezens van een ongedefinieerde sekse, die op een dag met een grote koffer de Moeminvallei binnenwandelen. Ze zeggen dat ze op de vlucht zijn. Niemand mag zien wat er in hun koffer zit. Uiteindelijk blijkt daar een robijn in te zitten; een symbool voor hun (verholen) liefde.

Moemins Beeld Moomin Characters

De natuur, die zo sterk aanwezig is in de Moeminverhalen, was voor de Finse Moeminexpert en schrijver Sirke Haponnen een belangrijke reden om zich te gaan verdiepen in het werk van Jansson, zegt ze aan tafel bij Elite, een restaurant dat nog de jaren tachtig ademt – blank hout, vloerbedekking met een patroontje – en sinds de oprichting in 1932 een woonkamer voor artiesten en kunstenaars is. Maar de grootste kracht van de Moeminverhalen zijn inderdaad de uitgesproken karakters, vindt Haponnen. Ze laten je nadenken over jezelf en de mensen om je heen.

Neem bijvoorbeeld het karakter de Hemuul. Deze figuren lijken een beetje op de Moemins, maar zijn iets groter. Ze houden van orde en regels en vinden dat alles op hun manier moet. De meeste zijn fanatieke verzamelaars van iets – postzegels, zeldzame planten – en zetten alles op alles om de collectie compleet te krijgen. Daarna moeten ze zo snel mogelijk weer iets nieuws vinden om te verzamelen. Maar ze zijn slecht in het luisteren naar andermans mening en nemen het leven vaak veel te serieus. Haponnen: ‘Veel mensen willen graag geloven dat ze net zo vrij zijn als het karakter Snuisterik, een natuurliefhebbende vagebond die in een tent leeft, maar eigenlijk zijn ze een Hemuul. Uiteindelijk is daar ook niets mis mee. In de Moeminvallei leer je juist dat iedereen met al zijn eigenaardigheden wordt geaccepteerd en samen kan leven. Alle karakters hebben eigenlijk minstens twee gezichten. Net als wijzelf.’ Lachend: ‘Ik ben zelf ook een Hemuul. Dat beangstigde mij eerst, maar nu denk ik: het is oké. Ook de Hemuul bedoelt het goed.’

Seksuele geaardheid

Een fragment dat Haponnen zich goed herinnert, is wanneer het kleine, altijd melancholische hondje Sorry-oo huilend tegen Moeminmamma vertelt dat het alleen van katten houdt en niet van andere honden. Moeminmamma troost het hondje en zegt: Het belangrijkste is dat je überhaupt van iemand houdt. Mogelijk een referentie naar de seksuele geaardheid van Jansson, die relaties met zowel mannen als vrouwen had en uiteindelijk een levenspartner vond in de kunstenares Tuulikki Pietilä. Maar voor iedereen op zijn eigen manier op te vatten.

De verzamelwoede die de Hemuul kenmerkt, is ook veel Moeminsfans niet vreemd. Het bekende Finse keramiekmerk Iittala maakt sinds de jaren vijftig elk jaar een Moemincollectie, waarvan de oudere en zeldzamere mokken al fortuinen waard zijn (op Ebay wordt een kerstmismok uit 2004 voor 11.750 euro geveild). Ook de creative producer van de nieuwe Moeminsserie, Marika Makaroff, die eerder creative director was bij het productiebedrijf dat verantwoordelijk is voor de Deens-Zweedse misdaadserie The Bridge, heeft haar eigen collectie Moeminmokken en is sinds haar jeugd Moeminfan. ‘Wanneer vrienden nu bij mij thuis komen, merken ze vaak op dat ik tegen mijn kinderen praat alsof het kleine volwassenen zijn. Dat vinden ze erg Moeminminded. Misschien is dat ook wel iets Fins.’ Makaroff heeft de productie van de nieuwe serie, die het grootste budget van een Finse serie tot nu toe heeft, dan ook nooit als het maken van een kinder- of familieserie behandeld. Makaroff: ‘Voor mij was het van het begin af aan een drama.’

De Moeminfilosofie hebben we volgens haar meer dan ooit nodig. In de Moeminvallei kan je bang zijn, lachen en huilen. Maar uiteindelijk hebben de verhalen een levensbevestigende boodschap: Er is hoop, zolang we in elkaar blijven geloven.

Anna Lillioja keert terug naar het vakantieland uit haar jeugd: ‘In Estland kun je in een ­langzamer tempo leven’

Vermijd de meute en huur een huisje op een Baltisch eiland. Verslaggeefster Anna Lillioja keert terug naar de zomers van haar jeugd

Het leven op het Baltische eiland Muhu verloopt in een langzamer tempo. Beeld Simon Lenskens

In de kruidentuin van het 450 jaar oude Pädaste landhuis op het Estse eiland Muhu ruikt het naar rijpe wilde aardbeien en pepermunt. Een vrouw met een gebloemd mutsje plukt, knielend op de aarde, onkruid. Het ritmische plukken veroorzaakt samen met het gezoem van de honingbijen het enige geluid. Over de paden tussen de planten wandelt de Nederlandse eigenaar van het landhuis, dat in gebruik is als boetiek- en spahotel. Achter hem torenen metershoge, lichtroze bloeiende tabaksplanten. Daarachter, in de verte, de toppen van een dik dennenwoud. Het eiland Muhu is inmiddels het merendeel van het jaar ook zijn woonplek. ‘Wat er hier te doen is?’ vraagt hij lachend. ‘Helemaal niets.’

Dat je in Estland kunt genieten van helemaal niets, weet ik. Dertig jaar geleden werd ik geboren in het land dat voor meer dan vijftig procent uit bos bestaat en waar vijftien keer zo weinig mensen op een vierkante kilometer wonen als in Nederland.

De bloemen- en kruidentuin van het guesthouse. Beeld Simon Lenskens

Althans, niets… Misschien is het beter om te zeggen dat je hier in een langzamer tempo kunt leven, zonder afleidingen en kunt toekomen aan de dingen die je echt op een vakantie wil doen.

Wanneer ik tegenwoordig terugkeer naar Estland, naar ons zomerhuis dat op een eiland in de bossen ligt, kijk ik uit naar deze spontaan in te vullen ruimte. Een halve dag aan het ontbijt zitten, lange gesprekken voeren met vrienden en familie, naar het strand wandelen of zomaar liggen in het gras. Ik pak de boot naar een nabij eiland of rij naar de melk- en eierboer, een man die altijd in zijn witte slip over zijn kleine erf loopt.

Vanmiddag rijden we vanaf Pädaste, via de dam, die me altijd nog het meest aan Nederland doet denken, het grotere eiland Saaremaa op. Door het dorpje Liiva, waar langs de weg marktstalletjes staan opgesteld. Kleden met traditionele Muhu-bloemenborduursels liggen als wollen gazonnetjes op lange tafels, bergjes van oud zilverwaar glinsteren in de zon en schapenvellen in tientallen grijstinten hangen over antieke houten ladders. Vrouwen verkopen zelf geplukte bessen, paddestoelen, aardbeien en tomaten uit hun tuin.

Op het eiland Saaremaa. Beeld Simon Lenskens

We stoppen bij vriendin Ingrem, die op haar vakantieboerderij een huwelijksfeest aan het voorbereiden is. Onder het lage dak van het oude huis zit ze op een houten stoel, haar lange haar in een vlecht. Op haar schoot rust een emaillen kom waarboven ze voorzichtig bruine melkzwammen schoonborstelt.

‘Hebben jullie honger?’, roept ze wanneer we aan komen lopen over het erf. ‘Neem een paar tomaten mee bij de kelderdeur. Dan maak ik een boterham.’ Voor de kelder, een ruimte onder een heuvel van gras, staan bakken vol groenten en kruiden. Donkerrode tomaten, kleine komkommers, bossen dille. Veel mensen op het platteland hebben een grote moestuin of een kas. Een fijn ochtendritueel is om op blote voeten door het natte gras te lopen en zelf de ingrediënten voor bij je ontbijt te halen; een plukje dille, bessen voor op je yoghurt en verse ­citroenmelisse voor in de thee.

De twee zoons van Ingrem, allebei haast twee meter lang en blond, studeren in het buitenland en zijn voor de zomer naar het eiland gekomen. ‘Het is de enige plek waar ik wil zijn in de zomer,’ zegt de een die een rossige windhond over zijn kop aait. ‘Anders is het geen zomer geweest.’ Wat er nog meer op het menu staat voor de bruiloft? Salades, gemarineerde witvis met limoen, verse aardappelen en de ster van de zomerse keuken van Estland: gerookte schol.

De beste plek om op Saaremaa verse schol te halen is bij visservrouw Tiina Tihemetsa. We rijden door bossen en langs korenvelden naar het vissersdorpje Nasva, dat aan het begin van het Sõrve-schiereiland ligt, tevens de favoriete strandbestemming van de bewoners. Er is hier nog minder verkeer dan op het vasteland.

Vis geserveerd in het restaurant Pädaste Manor. Beeld Simon Lenskens

Bij Tiina staan acht auto’s geparkeerd. Ze loopt ons tegemoet in een kleurrijk schort. In de zomermaanden houdt het werk niet op, zegt Tiina, terwijl ze de rookoven in de tuin opent en verdwijnt in een waas van grijze rook. Naast de oven hangen schollen aan lange spiezen klaar. Tiina strijkt ze langs hun gestippelde buiken, wijst op de vinnen en zegt: ‘Zie je, sommigen zijn linkshandig en de anderen rechts.’ Dan gaat haar telefoon weer voor een volgende bestelling.

Het zomerhuis dat we voor deze week gehuurd hebben, staat midden in het Vilsandi-natuurgebied. Omringd door bos, zes kilometer van de buren en driehonderd meter van zee. We rijden het erf op en sluiten het grote houten hek achter ons. Voordat we onze spullen uitpakken, is het zaak de sauna warm te stoken. De berkentakken, waarmee je je naakte lichaam in de sauna bewerkt en de biertjes voor erna liggen al klaar.

Huisje op het terrein van het guesthouse. Beeld Simon Lenskens

In Estland kun je maar op twee plekken zijn: in de stad of ‘op het land’. Land betekent meestal een zomerhuisje. En wie dat niet heeft, kent wel vrienden, ouders of grootouders die ‘land’ hebben. Kinderen werden daar vroeger hele zomers heen gestuurd. Mijn peetmoeder, die op Saaremaa woont, zegt: ‘Wie aan het einde van de zomer met de meeste schrammen op zijn of haar knieën de klas binnenliep, was de winnaar.’

Als kind ging ik met mijn opa en oma altijd mee naar mijn oudtante in het zuiden van het land. Nog voel ik de ruwe bekleding van de achterbank in mijn zweterige knieholtes prikken en de zomerbries door het autoraampje die mijn haren tot een vogelnestje omtoverde. Het vlakke landschap van het noorden ging over in een glooiend en heuvelachtig uitzicht. We stopten om te plassen, om in meertjes te zwemmen of om bessen te plukken. In de zandgrotten van Taevaskoja kerfde ik graag, met mijn voeten in het water, tekeningen in de rossige zandwanden.

De schrijver van dit artikel in Estse klederdracht. Beeld Simon Lenskens

Na drieënhalf uur rijden doemde het groen geverfde huisje van mijn oudtante op. Te midden van dofgouden ­korenvelden. Boven de stal sliepen we met z’n allen tussen twee lakens in de hooiberg. We lieten lege kannen achter op een houten trappetje voor het hek, waar de melkboer ze de volgende ochtend gevuld terugzette.

Zulke oude trappetjes zie je nog steeds in het landschap van Saaremaa. Net als bushokjes met kanten gordijntjes waar nooit iemand staat. In het dorp Kihelkonna is het jaarlijkse zangfestival bezig. Een mannen- en een vrouwenkoor in klederdracht staan onder de middeleeuwse klokkentoren op een heuvel. Op kleedjes zitten kinderen te spelen en ouders te picknicken. Wanneer de bekende Saaremaa-wals wordt ingezet – ‘O, draai haar rond, laat haar vliegen, het vlasblonde meisje. Nee, zo een vind je nergens anders dan op Saaremaa. Op de heide op een juninacht…’ De vrouwen trekken hun mannen mee om te dansen op het gras.

Maar je kunt ook gewoon in stilte voor je huis zitten. De bladeren van de kastanjeboom ritselen dan alsof iemand verhalen in mijn oor fluistert. De dennen in het bos filteren het zonlicht tot wisselende patronen op de grond. De stammen bewegen en kraken, als een oude deur in een Ests huis.

De vis hangt te drogen in een tuin. Beeld Simon Lenskens

Saaremaa is een verborgen schat in de Oostzee, daar zijn de eilanders het over eens. Ze organiseren van alles in de zomer. Samen met mijn peetmoeder bezoek ik een schapenboerderij waar in de hooischuur bruiloften worden gehouden en handwerk wordt verkocht, de biologische zepenmakerij GoodKaarma in het dorpje Kaarma heeft een buitenbar waar Nepalese vlaggetjes wapperen in tuin, de Pihtla bierbrouwerij is de oudste microbrouwerij van Estland.

De Oostzee. Beeld Simon Lenskens

De brouwerij is net dicht als we aankomen, maar we krijgen toch nog een miniproeverij aangeboden. Ik ga voor een troebel boerderijbiertje, iets met gember en een frisse slok dennennaaldenbier. Samen met de brouwers zitten we op een bankstel in de avondzon, als de eigenaar zijn jeep langs de bosrand parkeert. Met een glimlach laat hij een pakketje in krantenpapier op een tafeltje voor ons vallen. Vier dikke rode baarzen, nog warm van de rookoven. ‘Ha! Ik ben Arved,’ zegt hij en steekt een hand naar ons uit, vettig van de visolie.

Ik sluit de lange, lome Estse zomer af in het dorpje Palamuse, in het zuiden van het land. Dicht bij de plek waar ik vroeger met mijn grootouders kwam. Er zijn twee vrienden uit Nederland overgekomen en we ontbijten voor de kleine blokhut die we hebben gehuurd. Vóór ons wiegen honderden waterlelies op een beekje en in de verte is het kletteren van een waterval te horen. Het gras kietelt aan mijn voetzolen. Een madeliefje steekt zijn kopje tussen mijn tenen door.

In dit dorp, aan de oevers van deze beek, speelt een van Estlands bekendste romans – en de verfilming ervan – zich af. Kevade, ofwel Lente, over het leven van een groepje kostschoolscholieren. Ik moet denken aan de laatste zinnen uit de film. De zomervakantie is net aangebroken en het meisje Teele zegt tegen haar beste vriend Arno: ‘Arno! Arno, kom vandaag naar ons nieuwe huis kijken.’ Arno twijfelt en zegt dan dat hij liever thuis blijft. Teele kijkt verwonderd en vraagt wat er dan voor bijzonders thuis is. Er verschijnt een glimlach op Arno’s gezicht en een dromerige blik in zijn ogen, voor hij zachtjes antwoordt: ‘De bloemen…, de weiden… en de zon die schijnt.’

Een zangfestival op het eiland Saaremaa. Beeld Simon Lenskens

PRAKTISCH

Estland ligt 2.000 kilometer rijden van Nederland. Luchtvaartmaatschappij AirBaltic vliegt dagelijks naar Tallinn. Vanaf € 100, ­airbaltic.com.

De treinverbinding is slecht (vier keer overstappen). Boek je eigen zomerhuis op Saaremaa via: saaremajutus.ee/en

Op Airbnb vind je prachtige huizen door het hele land; bijvoorbeeld in het heuvelachtige zuiden met de vele meertjes en rivieren. Het landhuis Pädaste op het eiland Muhu heeft een hottub met geweldig uitzicht en biedt behandelingen geïnspireerd door de omgeving. Zoals een hooi- of zeewierwrap of een massage met geitenmelk. padaste.ee Algemene info: visitestonia.com/en

CO2-UITSTOOT

Een vlucht naar Tallinn plus huurauto veroorzaakt 1.300 kg CO2-uitstoot op voor twee personen; per eigen auto naar Saaremaa kost 950 kg CO2. Dat is voor 10 tot 15 euro te compenseren via treesforall.nl of fairclimatefund.nl. Meer info: milieucentraal.nl